zaterdag 21 oktober 2017

Diepgang

  In 'Verhelderende kronieken', schrijft Bob den Uyl dat hij af en toe gejaagd opspringt, een koffer inpakt en een taxi bestelt om zijn 'immer teleurstellende speurtocht naar wezen en betekenis van de literatuur voort te zetten.'
  Ik las dit met verbazing: blijkbaar ben ik niet de enige gek.
  Natuurlijk zijn er wel meer dwazen die zich met het 'wezen van de literatuur' bezighouden, maar het is vooral de door Den Uyl beschreven manier waarop dat gebeurt, dat de kern van zaak raakt: totaal neurotisch en vergezeld gaande met een plotselinge notie van urgentie, alsof het raadsel van het wezen van de literatuur nu maar eens voor eens en voor altijd opgelost moet worden, want zo moeilijk kan het toch ook weer niet zijn.

  Zo heb ik deze zomer een dikke verhalenbundel zitten lezen van Bob den Uyl, waarna zich de vraag opdrong: schrijft Bob den Uyl nu literatuur? Den Uyl schrijft onderhoudende verhalen, vol scherpe observaties over zijn eigen karakter en dat van zijn medemensen, hij weet een scène neer te zetten en de aandacht vast te houden, maar toch luidt mijn eindoordeel: helaas, geen literatuur.

  Gelukkig heb ik hier een onderbouwing voor, wat meteen het raadsel rond het wezen en de betekenis van de literatuur voor altijd oplost. Ik las namelijk deze zomer tegelijkertijd enkele boeken van J. van Oudshoorn, een schrijver die ik toevallig ontdekte en wiens boeken diepe indruk maakten.
  Over Van Oudshoorn wordt in een inleiding geschreven dat hij 'neurotische en psychopathische figuren meesterlijk tot leven bracht' en dat zijn werk is 'doordrenkt met een gevoelige opmerkzaamheid, een reageeren op de zinsindrukken der zintuiglijke zichtbare buitenwereld en gericht op een ontleding van de gemoedsstemmingen- en bewogenheden.'

  In feite doen Den Uyl en Van Oudshoorn hetzelfde: ze schrijven over overspannen persoonlijkheden die emotioneel reageren op 'de buitenwereld'.
  Het verschil zit hem in de vorm: Den Uyl schrijft onderhoudende anekdotes over ontbijten in een tweederangshotel met koffie die niet doorloopt, een koppige hoteleigenaar en een langzaam stijgende woede.
  Er zit vaart in zijn verhalen, de emoties worden aangestipt maar verder niet ontleed, de stijl is vlot en leesbaar, de lach ligt altijd om hoek van de volgende zin.
  Van Oudshoorn tapt uit een ander vaatje: de handeling staat grote delen vrijwel stil, de emoties worden niet alleen benoemd maar ook ontleed, als een literaire chirurg prepareert hij onbarmhartig de innerlijke wereld van zijn gedoemde personages vrij en hij is daarbij zo precies, dat hij bij de lezer geen grinnikende herkenning oproept (zoals Den Uyl), maar dat diezelfde herkenning pijnlijk wordt, omdat nog nooit iemand zo precies en gedetailleerd de vinger op de zere plek heeft gelegd.

  Bij den Uyl lees je grijnzend mee over hilarische tegenslagen en herkenbare frustraties, bij Van Oudshoorn zit je met open mond naar een bizar heldere verwoording van de menselijke ervaring te staren.
   Den Uyl en Van Oudshoorn: dat is het onderscheid tussen lectuur en literatuur, tussen verstrooiing en kunst, tussen de geestige anekdote en de pijnlijke ontleding, tussen de vlotte pen en de trage, literaire scalpel.

  Goed, het wezen van de literatuur had ik dus ook weer opgelost.
  Gelukkig kon ik mijn nieuwe hypothese meteen in de praktijk brengen bij het werk van Joost Zwagerman. Eerst las ik 'De Buitenvrouw'. Hoewel geen meesterwerk, gaat Zwagerman hier en daar zeker de diepte in, er zit bijvoorbeeld een passage in over het gymnastieklokaal, waarin Zwagerman naar mijn idee op zijn best is: de geuren van zo'n gymnastiekzaal, het gepiep van de vloer, de bekende groene matten, het verdorde zweet in de kleedlokalen waar nooit wordt gedoucht en de herinneringen die dit bij de hoofdpersoon teweeg brengt aan zijn eigen middelbareschooltijd: dat is inzoomen, dat is alles stilzetten en de ervaring helemaal ontleden, dat is literatuur.

 Hierna las ik 'Gimmick' en ik moet zeggen: wat een kutboek.
 'Gimmick' hangt aan elkaar van voor de hand liggende anekdoten, de ervaringen zijn voorspelbaar, er is iets met een meisje, er is iets met vrienden, ze gaan op vakantie, ze hebben ruzie, ze gebruiken drugs, ze hebben seks. Nergens wordt de diepte opgezocht, niets wordt uitgetekend, het hobbelt van gebeurtenisje naar gebeurtenisje en de meeste personages blijven zo plat als een pannenkoek.
  Mijn eindoordeel van 'Gimmick': totaal overschatte adolescentenlectuur.

  Helaas kan Den Uyl geen kennis meer van nemen van mijn haarscherpe analyse van het literaire gehalte der Nederlandse literatuur. Typisch zijn pech.

Geen opmerkingen: