woensdag 7 januari 2026

Dammen opwerpen

Afgelopen weekend werd ik op de Vughtse radio geïnterviewd over mijn dorpsdichterschap, het gesprek is hier terug te luisteren. Het ging onder meer over de vraag: wanneer is een gedicht af? Een vraag die je kan uitbreiden tot: wanneer is een gedicht goed?
  
  Ik moest daar weer aan denken toen ik wat teksten van de filosoof Adorno zat te lezen. Zijn Minima Moralia is een verzameling van 152 korte, afgeronde bespiegelingen over 'het beschadigde leven', in de ruimste zin van het woord. Over schrijven schrijft Adorno in bespiegeling 51 ('Achter de spiegel'):

[... zelden is het afzonderlijke woord banaal. De afschuwelijkste clichés zijn eerder combinaties van woorden [...] geheel en al, door dik en dun [...] in die woordcombinaties kabbelt de trage stroom van de verschraalde taal, in plaats van dat de schrijver door precisie in het uitdrukken er dammen tegen opwerpt die onontbeerlijk zijn, wil taal tot bloei komen. 

Dit lijkt me een hele aardige maatstaf om poëzie mee te beoordelen. Met name die 'trage stroom verschraalde taal' is een fenomeen dat je vaak bij amateur-dichters tegenkomt. Zo zwoegde ik me onderweg naar de radiostudio door een taai winterlandschap heen. Een landschap dat bij veel mensen gevoelens losmaakt, waaronder mensen met poëtische neigingen. Ik citeer enkele strofen uit verschillende recent geplaatste gedichten op gedichten.nl:

Zonnestralen breken voorzichtig
door de wolken, hun licht streelt bevroren
takken en glinstert op het ijs. Mijn gedachten worden
meegevoerd door de stilte, elke ademhaling een gesprek met de winter.


Langzaam komt leven op gang
op nu verstijfde vaarten.
De dag neemt zijn eigen
winterse tempo aan
met uitgestorven velden.


Maanlicht over het droomland
flirt verlegen met een waarheid
een ander palet in tijdloos gaan

een witte serene maagdelijkheid
geeft kennis van een eigen stijl
woorden herhalen zich onhoorbaar


Met name de eerste twee strofen vallen onder de 'trage stroom verschraalde taal' van Adorno: zonnestralen die door wolken breken, uitgestorven velden, leven dat langzaam op gang komt. Je hebt het al honderd keer eerder gelezen. De laatste strofe valt onder een andere categorie die ik vaak bij collega-amateurs tegenkom: de diepzinnig klinkende vaagtaal. Wat betekent 'een ander palet in tijdloos gaan'? En wat zijn woorden die zich 'onhoorbaar herhalen'? 
  Probleem bij de tweede valkuil is dat je toch steeds een beetje twijfelt: is dit wartaal, of ontgaat mij gewoon de diepere betekenis? 

Laten we voor het contrast een gedicht van een professional erbij pakken. 'Park in de winter', door Bertus Aafjes:

Het park ligt wijd en zijd onder de sneeuw
en rond de zwarte groeve van de takken
zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
De kleine vijver is inktzwart en stil,
als hoedde hij een kleinodie, het slijk.
De zomerboot, een dodenbark gelijk,
ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil

  Eerlijk is eerlijk: een park dat 'wijd en zijd onder de sneeuw ligt', houdt ook niet over. Maar al snel wordt het interessanter. Die meeuw die vliegt als een lassoworp is al heel aardig, maar de uitsmijter is die zomerboot als dodenbark. 
  Het bootje dat onder een warme zon zo'n gezellige aanblik bood, is in het seizoen van de dood zwart en stil geworden. Het is alleen nog voor te stellen als middel om gestorvenen naar hun laatste rustplaats te brengen. Daarbij is 'dodenbark' ook een mooi archaïsch woord, dat meteen beelden oproept van een stemmig glijdend bootje, sneeuw die dwarrelt, een weduwe met een van rouw verstijfd gelaat die de winterwind trotserend op de achterboeg zit. 

  Dat is dus een verschil tussen matige en sterke poëzie. Blijft nog over het fenomeen dat veel mensen die amateur-gedichten prachtig vinden en niet onder de indruk zijn van zo'n gedicht van Aafjes. Dit fenomeen is uitgebreid geanalyseerd door de schrijver C.S. Lewis
   Volgens Lewis vinden veel mensen cliché's juist heel prettig, omdat ze de lezer het 'werk van het waarnemen' besparen. Iemand die in de trein een pulp-detective zit te lezen, stoort zich er niet aan als de boef wordt omschreven als 'iemand die zijn eigen moeder nog zou verkopen'. Zo'n cliché zegt niets anders dan dat de boef een boef is, wat de lezer al weet. Hij hoeft zich niet in moeilijke psychologie te verdiepen of metaforen te verwerken. De boef is een boef, door naar de volgende zin die eigenlijk niets vertelt, en zo sjeest de lezer een 'spannend' boek door, dat hij na twee dagen weer compleet vergeten is. 
  
  Op dezelfde wijze vinden veel mensen het waarschijnlijk wel prettig om te lezen over 'uitgestorven velden met een deken van sneeuw'. Het is zo'n afgesleten beeld, dat de meeste lezers er waarschijnlijk niet eens meer een beeld bij hebben. In feite lezen ze: 'het is winter'. Ze kijken naar buiten en verdomd: het is inderdaad winter. Dat kan zo'n dichter toch maar knap verwoorden. 

zondag 4 januari 2026

Fruit van het kwaad

In de roman Mansfield Park van Jane Austen botsen twee levensbeschouwingen op elkaar. Aan de ene kant is er de Engelse 'landed gentry', de bewoners van het grote landhuis uit de titel. Deze personages zijn typische Austen-personages: ze hebben alle tijd van de wereld om elk gevoel en elk gebaartje eindeloos te analyseren.  
  Hier tegenover staan een broer en zus die in Londen zijn opgegroeid. Dit zijn vlotte babbelaars, die ironische grapjes maken over het geloof, die charmeren en flirten op een manier die de hoofdpersoon, Fanny Price, bijzonder tegen de aartsconservatieve borst stuit. 
  Het is de achttiende eeuw tegenover de negentiende eeuw, waarbij de laatste wordt gekenmerkt door de bezige bijtjes, de carrièremakers, de commercie, het wereldwijde kapitalisme, oftewel: de tijd waarin we nog steeds leven.

  In het boek 21 lessen voor de 21e eeuw, schetst Yuval Noah Harari een mogelijke toekomst als de automatisering de komende vijftig jaar rap verder gaat. Er zal steeds minder werk zijn, terwijl de welvaart voor een groot gedeelte wordt gecreëerd door de robots. Misschien krijgt iedereen een basisinkomen, zonder daarvoor nog veertig uur in de week in een kantoor met data te hoeven schuiven.
  Maar wat gaan we dan doen met al die tijd?
  Misschien gaan we terug naar de landed gentry van de achttiende eeuw, maar dan voor iedereen, in plaats van een paar rijke families die overzeese gebieden hebben geplunderd. 
  De vraag is alleen: kunnen we dat wel? Zijn we na twee eeuwen kapitalistische propaganda niet te veel ingesteld op bezig zijn, bezig zijn tot we erbij neervallen, en wordt iedereen helemaal gek als hij eerst een halve dag visite moet ontvangen, om daarna een wandeling door de tuin te maken, 'als dat niet te vermoeiend is'? 
  Persoonlijk zie ik zo'n toekomst wel zitten, maar ik twijfel over de rest van de mensheid. 

  Voorlopig lijkt het er bovendien op dat we weer de andere kant op aan het bewegen zijn, de oranje baviaan in het Witte Huis wil zo snel mogelijk terug naar begin twintigste eeuw, waarin supermachten rustig andere landen konden 'annexeren' en oliebaronnen en andere kapitalistische criminelen de dienst uitmaakten. 
  Gelukkig is er ook nog een andere traditie, de traditie van de troubadour, die woorden geeft aan deze waanzin, al is er bij die woorden soms wel een 21e eeuwse vertaling nodig:

killing people from a distance in an instant
at the insistence of a president
with a black mail gun to his head for the fun that he had in the dark ages
pages and pages and pages and pages 
they thought they'd get away with it
the minimum wage is outraged with it
they're gonna burn somebody at the stake for it
fruit of the doom
oranges and grapists
hold on to yer vapes kids

Bovenstaande 'pages' verwijzen waarschijnlijk naar de Epstein files, Trump is getransformeerd tot een sinaasappel in de tuin van Eden en 'grapists' is internettaal voor verkrachters, aangezien berichten met de juiste term automatisch door YouTube worden verwijderd.