Afgelopen weekend werd ik op de Vughtse radio geïnterviewd over mijn dorpsdichterschap, het gesprek is hier terug te luisteren. Het ging onder meer over de vraag: wanneer is een gedicht af? Een vraag die je kan uitbreiden tot: wanneer is een gedicht goed?
Ik moest daar weer aan denken toen ik wat teksten van de filosoof Adorno zat te lezen. Zijn Minima Moralia is een verzameling van 152 korte, afgeronde bespiegelingen over 'het beschadigde leven', in de ruimste zin van het woord. Over schrijven schrijft Adorno in bespiegeling 51 ('Achter de spiegel'):
[... zelden is het afzonderlijke woord banaal. De afschuwelijkste clichés zijn eerder combinaties van woorden [...] geheel en al, door dik en dun [...] in die woordcombinaties kabbelt de trage stroom van de verschraalde taal, in plaats van dat de schrijver door precisie in het uitdrukken er dammen tegen opwerpt die onontbeerlijk zijn, wil taal tot bloei komen.
Dit lijkt me een hele aardige maatstaf om poëzie mee te beoordelen. Met name die 'trage stroom verschraalde taal' is een fenomeen dat je vaak bij amateur-dichters tegenkomt. Zo zwoegde ik me onderweg naar de radiostudio door een taai winterlandschap heen. Een landschap dat bij veel mensen gevoelens losmaakt, waaronder mensen met poëtische neigingen. Ik citeer enkele strofen uit verschillende recent geplaatste gedichten op gedichten.nl:
Zonnestralen breken voorzichtig
door de wolken, hun licht streelt bevroren
takken en glinstert op het ijs. Mijn gedachten worden
meegevoerd door de stilte, elke ademhaling een gesprek met de winter.
door de wolken, hun licht streelt bevroren
takken en glinstert op het ijs. Mijn gedachten worden
meegevoerd door de stilte, elke ademhaling een gesprek met de winter.
(Uit: 'Winterse stilte', CB)
Langzaam komt leven op gang
op nu verstijfde vaarten.
De dag neemt zijn eigen
winterse tempo aan
met uitgestorven velden.
op nu verstijfde vaarten.
De dag neemt zijn eigen
winterse tempo aan
met uitgestorven velden.
Maanlicht over het droomland
flirt verlegen met een waarheid
een ander palet in tijdloos gaan
een ander palet in tijdloos gaan
een witte serene maagdelijkheid
geeft kennis van een eigen stijl
woorden herhalen zich onhoorbaar
geeft kennis van een eigen stijl
woorden herhalen zich onhoorbaar
Met name de eerste twee strofen vallen onder de 'trage stroom verschraalde taal' van Adorno: zonnestralen die door wolken breken, uitgestorven velden, leven dat langzaam op gang komt. Je hebt het al honderd keer eerder gelezen. De laatste strofe valt onder een andere categorie die ik vaak bij collega-amateurs tegenkom: de diepzinnig klinkende vaagtaal. Wat betekent 'een ander palet in tijdloos gaan'? En wat zijn woorden die zich 'onhoorbaar herhalen'?
Probleem bij de tweede valkuil is dat je toch steeds een beetje twijfelt: is dit wartaal, of ontgaat mij gewoon de diepere betekenis?
Laten we voor het contrast een gedicht van een professional erbij pakken. 'Park in de winter', door Bertus Aafjes:
Het park ligt wijd en zijd onder de sneeuw
en rond de zwarte groeve van de takken
zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
De kleine vijver is inktzwart en stil,
als hoedde hij een kleinodie, het slijk.
De zomerboot, een dodenbark gelijk,
ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil
en rond de zwarte groeve van de takken
zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
De kleine vijver is inktzwart en stil,
als hoedde hij een kleinodie, het slijk.
De zomerboot, een dodenbark gelijk,
ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil
Eerlijk is eerlijk: een park dat 'wijd en zijd onder de sneeuw ligt', houdt ook niet over. Maar al snel wordt het interessanter. Die meeuw die vliegt als een lassoworp is al heel aardig, maar de uitsmijter is die zomerboot als dodenbark.
Het bootje dat onder een warme zon zo'n gezellige aanblik bood, is in het seizoen van de dood zwart en stil geworden. Het is alleen nog voor te stellen als middel om gestorvenen naar hun laatste rustplaats te brengen. Daarbij is 'dodenbark' ook een mooi archaïsch woord, dat meteen beelden oproept van een stemmig glijdend bootje, sneeuw die dwarrelt, een weduwe met een van rouw verstijfd gelaat die de winterwind trotserend op de achterboeg zit.
Dat is dus een verschil tussen matige en sterke poëzie. Blijft nog over het fenomeen dat veel mensen die amateur-gedichten prachtig vinden en niet onder de indruk zijn van zo'n gedicht van Aafjes. Dit fenomeen is uitgebreid geanalyseerd door de schrijver C.S. Lewis.
Volgens Lewis vinden veel mensen cliché's juist heel prettig, omdat ze de lezer het 'werk van het waarnemen' besparen. Iemand die in de trein een pulp-detective zit te lezen, stoort zich er niet aan als de boef wordt omschreven als 'iemand die zijn eigen moeder nog zou verkopen'. Zo'n cliché zegt niets anders dan dat de boef een boef is, wat de lezer al weet. Hij hoeft zich niet in moeilijke psychologie te verdiepen of metaforen te verwerken. De boef is een boef, door naar de volgende zin die eigenlijk niets vertelt, en zo sjeest de lezer een 'spannend' boek door, dat hij na twee dagen weer compleet vergeten is.
Op dezelfde wijze vinden veel mensen het waarschijnlijk wel prettig om te lezen over 'uitgestorven velden met een deken van sneeuw'. Het is zo'n afgesleten beeld, dat de meeste lezers er waarschijnlijk niet eens meer een beeld bij hebben. In feite lezen ze: 'het is winter'. Ze kijken naar buiten en verdomd: het is inderdaad winter. Dat kan zo'n dichter toch maar knap verwoorden.

