Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen

donderdag 16 april 2026

Bitterzoet

Ik lees de Odysseia en ik kom er na een jaar of dertig achter dat dat hele gedoe met die sirenen nog geen halve pagina in beslag neemt. 
  Odysseus laat zich door zijn makkers aan de mast vastbinden, zodat hij naar het gezang van de sirenen kan luisteren, zonder dat hij naar ze toe kan zwemmen om opgepeuzeld te worden. Zijn bemanningsleden heeft hij was in hun oren laten stoppen, zodat zij het gezang niet horen. In de vertaling van Imme Dros staat er:
 
Ik snakte ernaar te luisteren, ik gaf mijn vrienden met mijn wenkbrauwen tekens dat ze mij onmiddellijk van de mast moesten halen, maar ze wierpen zich op de riemen en roeiden verder.
 
Hoe geef je met je wenkbrauwen tekens dat iemand je van een mast moet halen, vraag ik me af en daarna vraag ik me af: in welk liedje zit toch ook alweer de regel:
 
Tie yourself to the mast my friend, and the storm will end
 
Dat was ‘One day’, van The Verve, op Urban Hymns, dat album was een soort zwanenzang voor de Britpop. Eind jaren negentig beluisterde ik het album in een V&D in Amsterdam, nadat we bij de UvA naar een oriëntatie-dag voor middelbare scholieren waren geweest. Het was in de tijd dat de V&D nog bestond en dat je op de muziekafdeling een koptelefoon op kon zetten om naar cd’tjes te luisteren.
 
The Verve was vooral bekend van het liedje ‘Bitter Sweet Symphony’, met die zanger die in een leren jasje over straat loopt begeleid door dat deuntje van Jagger en Richards. 
  Ik liep een keer door de Korte Putstraat in Den Bosch en toen zei iemand ‘je lijkt die gast van The Verve wel’, ik droeg in die tijd inderdaad een leren jas en misschien keek ik niet zo vrolijk. Het was in de tijd dat iedereen nog naar dezelfde muziekzenders keek en er nog zoiets was als een gedeelde muziekcultuur, we zaten allemaal in dezelfde bubbel, want je zat toch voor de tv en verder was er ook niet zoveel te doen.
 
  Grunge was dood en begraven en Britpop liep op zijn laatste adem, de tijd voor nieuwe barden was aangebroken en die zongen niet langer alleen maar vanaf cd of tv, maar via digitale bestandjes die je via internet kon downloaden. Daarbij moest je wel oppassen dat je geen Trojan horse binnenhaalde, malware die zich vermomde als een normaal programma, iets wat Odysseus, de man van de duizend listen, waarschijnlijk wel had aangesproken.


donderdag 19 maart 2026

De sappelziekte

 Een van de aardige aspecten van het boek Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen, is zijn negentiende eeuwse blik op typische fenomenen uit de twintigste eeuw, zoals hysterische sportbeleving en hysterisch ondernemerschap.
  Gijssen is geboren in 1899 en als zijn hoofdpersoon (die duidelijke overeenkomsten met hem zelf heeft) als journalist verslag moet doen van de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen, observeert hij:

  Deze atleten, samengekomen uit alle landen der wereld om in 'edele wedijver' te kampen om een medaille en een lauwerkroon, bleken even gevoelig in hun triomf als in hun nederlagen. Zij die overwonnen, wierpen zich onstuimig in de armen van hun vrienden; zij die de strijd moesten opgeven, liepen naar hun kleedkamer toe alsof de wereld ineen stortte en dat hun schuld was. 
  
  Het is gedrag waar honderd jaar later helemaal niemand meer van opkijkt, het is eerder opvallend als een atleet zich niet hysterisch gedraagt, maar de observatie is zo argeloos oprecht, dat je toch even bedenkt hoe raar dat hysterische sportgedrag eigenlijk is. 
  En dan ging dit nog om de Olympische Spelen, terwijl je op een zondagmiddag in het gemiddelde dorp langs de sportvelden precies hetzelfde kan zien.
  
De vriendin van de hoofdpersoon werkt voor een zekere Lohman, bevrachter van binnenschepen:

  Hij was een haai van klein formaat [...] heel zijn bestaan was gewijd aan het gevecht tegen een aantal kleine haaien zoals hij zelf [...] Wat Agnes en mij het meest verbaasde, was dat Lohman en zijn ongure concurrenten allen voorbeeldige huisvaders waren, redelijk trouwe echtgenoten en soliede kerkgangers [...] Dat er tussen hun professionele bedrijvigheid en hun burgerlijk bestaan een volledige afscheiding kon bestaan, was een toestand, een fantastisch fenomeen, dat bij Agnes en mij aanvankelijk grote hilariteit verwekte omwille van zijn ongelooflijke wanstaltigheid, maar dat ons langzamerhand beklemmen en met diep onbehagen vervullen zou. 

Net als bij de hysterische sportbeleving, is dit 'fantastische fenomeen' iets dat helemaal niemand meer opmerkt. Het is volkomen normaal je op je werk als een schoft te gedragen, een woekerpolisje hier, wat traden voor een hedgefund daar, wat lobbyen voor de grootste vervuilers, en dan weer lekker naar huis om je kinderen in bed te stoppen en de hond uit te laten.
  Het hele idee dat bepaald werk wel eens slecht voor je ziel zou kunnen zijn, is belachelijk geworden. In de twintigste eeuw is geld de afgod van de gewone man geworden, en de meest eervolle manier om eraan te komen is sappelen, schuiven en doordauwen:

  Agnes legde mij uit hoe Lohman erin slaagde het hoofd boven water te houden, dankzij wonderen van vlijt en vernuft, alhoewel hij veel eerlijker en gemakkelijker aan zijn kost kon komen met een patatefritekraam op de hoek der straat. 

 Ik moet aan die patatefritekraam denken als ik het boekje Kapitalisme zonder Remmen. Opkomst en ondergang van het marktkapitalisme van Maarten van Rossem lees. 
  In dit boekje vraagt Van Rossem zich af hoe het toch mogelijk is dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw het 'Marktfundamentalisme' zich zo moeiteloos over de Westerse wereld heeft verspreid:

  In deze jaren ontwikkelde het marktfundamentalisme zich tot een allesomvattende wereldbeschouwing. Er was waarlijk geen probleem dat niet door 'vermarkting' kon worden opgelost en alle denkbare instituties moesten dringend 'bedrijfsmatig' worden beheerd en worden onderworpen aan de paradijselijke tucht van 'modern management'. 

  Verregaande deregulatie van de financiële markt leidt onder meer tot de kredietcrisis van 2008, en ook voor de rest heeft de 'gewone Amerikaan' weinig aan al deze vermarkting gehad:

  Het ideologisch gedreven wanbeheer van de Amerikaanse samenleving heeft nog veel meer ellende veroorzaakt dan alleen de kredietcrisis. Zo is bijvoorbeeld de inkomensverdeling in de afgelopen decennia zo scheef gegroeid dat de Verenigde Staten op dat punt meer op Brazilië of China lijken dan op West-Europa. 

  In West-Europa, waar het marktfundamentalisme ook nog gezonde tegenkrachten kende, doen we het volgens Van Rossem een stuk beter: onze arbeidsparticipatie is beter, we hebben betere en goedkopere gezondheidszorg en de intergenerationele sociale mobiliteit is in West-Europa aanzienlijk groter dan in de VS.
  
 De grote vraag is dan: waarom blijft de helft van de Amerikanen hardnekkig op die Republikeinen stemmen, als dit overduidelijk in hun nadeel is? Waarom stem je voor de miljardairsklasse en tegen betaalbare zorg voor jezelf? 
  
  Mijn hypothese is dat de sleutel van dit enigma ligt bij die patatefritekraam voor de werkgever van Agnes. 
  Natuurlijk zou hij meer, en makkelijker, zijn geld kunnen verdienen met een patatefritekraam. Maar ergens eind negentiende, begin twintigste eeuw heeft de sappelziekte zich in het collectieve onderbewustzijn van de Westerse man genesteld.
  
  Sappelen is voor de moderne man wat de riddertoernooien voor de middeleeuwse man waren. Een manier om jezelf te bewijzen in het strijdperk. De ultieme 'hero's journey' voor de moderne man is het Amerikaanse 'rags to riches' verhaal. 
  Met zo'n patatefritekraam en een degelijke ziekenfondsverzekering  heb je misschien wat meer zekerheid, maar je weet ook zeker dat je nooit een grote haai gaat worden. Je bent niet eens een kleine haai, je bent een brasem of misschien een karper.
  Dat dat gelul over de 'self made-man' niets anders dan gelul is, doet er verder niet toe. Dat de intergenerationele mobiliteit in het verschrikkelijk socialistische Europa daadwerkelijk groter is dan in het zogenaamde ondernemersparadijs Amerika, doet er ook niet toe. Het is een geloof, en dat geloof zal pas verdwijnen als het vervangen wordt door een ander geloof. 

zondag 4 januari 2026

Fruit van het kwaad

In de roman Mansfield Park van Jane Austen botsen twee levensbeschouwingen op elkaar. Aan de ene kant is er de Engelse 'landed gentry', de bewoners van het grote landhuis uit de titel. Deze personages zijn typische Austen-personages: ze hebben alle tijd van de wereld om elk gevoel en elk gebaartje eindeloos te analyseren.  
  Hier tegenover staan een broer en zus die in Londen zijn opgegroeid. Dit zijn vlotte babbelaars, die ironische grapjes maken over het geloof, die charmeren en flirten op een manier die de hoofdpersoon, Fanny Price, bijzonder tegen de aartsconservatieve borst stuit. 
  Het is de achttiende eeuw tegenover de negentiende eeuw, waarbij de laatste wordt gekenmerkt door de bezige bijtjes, de carrièremakers, de commercie, het wereldwijde kapitalisme, oftewel: de tijd waarin we nog steeds leven.

  In het boek 21 lessen voor de 21e eeuw, schetst Yuval Noah Harari een mogelijke toekomst als de automatisering de komende vijftig jaar rap verder gaat. Er zal steeds minder werk zijn, terwijl de welvaart voor een groot gedeelte wordt gecreëerd door de robots. Misschien krijgt iedereen een basisinkomen, zonder daarvoor nog veertig uur in de week in een kantoor met data te hoeven schuiven.
  Maar wat gaan we dan doen met al die tijd?
  Misschien gaan we terug naar de landed gentry van de achttiende eeuw, maar dan voor iedereen, in plaats van een paar rijke families die overzeese gebieden hebben geplunderd. 
  De vraag is alleen: kunnen we dat wel? Zijn we na twee eeuwen kapitalistische propaganda niet te veel ingesteld op bezig zijn, bezig zijn tot we erbij neervallen, en wordt iedereen helemaal gek als hij eerst een halve dag visite moet ontvangen, om daarna een wandeling door de tuin te maken, 'als dat niet te vermoeiend is'? 
  Persoonlijk zie ik zo'n toekomst wel zitten, maar ik twijfel over de rest van de mensheid. 

  Voorlopig lijkt het er bovendien op dat we weer de andere kant op aan het bewegen zijn, de oranje baviaan in het Witte Huis wil zo snel mogelijk terug naar begin twintigste eeuw, waarin supermachten rustig andere landen konden 'annexeren' en oliebaronnen en andere kapitalistische criminelen de dienst uitmaakten. 
  Gelukkig is er ook nog een andere traditie, de traditie van de troubadour, die woorden geeft aan deze waanzin, al is er bij die woorden soms wel een 21e eeuwse vertaling nodig:

killing people from a distance in an instant
at the insistence of a president
with a black mail gun to his head for the fun that he had in the dark ages
pages and pages and pages and pages 
they thought they'd get away with it
the minimum wage is outraged with it
they're gonna burn somebody at the stake for it
fruit of the doom
oranges and grapists
hold on to yer vapes kids

Bovenstaande 'pages' verwijzen waarschijnlijk naar de Epstein files, Trump is getransformeerd tot een sinaasappel in de tuin van Eden en 'grapists' is internettaal voor verkrachters, aangezien berichten met de juiste term automatisch door YouTube worden verwijderd. 


zondag 9 maart 2025

Strijd

In zijn boekje 'Aanvallend spel. Over het schrijven van een roman' stelt Thomas Rosenboom dat het literaire personage een strevend personage is:  

In een goede roman veroorzaakt het streven van de hoofdpersoon altijd een strijd, speelt zich een wedstrijd af, en daarom kost het geen enkele moeite zo'n boek uit te lezen. 

Rosenboom geeft enkele voorbeelden om zijn stelling te ondersteunen:

Wat wil Medea? Jason straffen
Wat wil Frank Laarmans? Kaas verkopen
Wat wil kapitein Ahab? Moby Dick doden
Wat wil Dorian Gray? Eeuwig jong blijven

Ik moest aan deze stelling denken na het zien van 'A Complete Unknown', de film over Bob Dylan. Na het zien van die film kun je je afvragen: wat wil Bob Dylan? 
  Het dichtst in de buurt komt misschien een antwoord aan zijn vriendinnetje als ze ergens in een eetcafé zitten: 'I wanna be a musician that eats'. Hij is op dat moment nog niet doorgebroken en zijn vriendinnetje mag de rekening betalen.
  Het klinkt een beetje als een typische 'doe-maar-gewoon-het-is-allemaal-niet-zo-belangrijk' Dylan-zinnetje, maar er zou wel eens een kern van waarheid in kunnen zitten. De film draait voor een groot deel om Dylans meest in het oog springende eigenschap: hij wil vooral een heleboel dingen niet zijn. 
  Hij wil geen spreekbuis voor een generatie zijn, hij wil niet het boegbeeld van de idealistische folk-beweging zijn. Maar hij wil wel een muzikant zijn, en dat is natuurlijk ook een streven. Het is alleen een streven dat zich niet zo makkelijk in drama laat vertalen: het is de strijd met jezelf. De strijd om een instrument onder de knie te krijgen, om teksten te schrijven, om innovatief te zijn, jezelf altijd te blijven ontwikkelen. 
  De kunstenaar is een continue strijd met zichzelf verwikkeld en, als hij een beetje ambitie heeft, met zijn vakgenoten. In A Complete Unknown is daar echter niet zoveel van te merken, de geniale liedjes stromen uit de mompelende krullenbol als water uit de kraan. Dylan lijkt in de film daardoor wel een beetje op De idioot van Dostojevski. Een van de weinige tegenvoorbeelden die Rosenboom van zijn stelling over strevende personages geeft:

 In zijn bijna onnozele onschuld verkeert hij in een volmaakte eenheid met zichzelf, net als een bloem of een heilige, hij kent geen hoop of teleurstellingen en vormt zo als het ware het volstrekt onveranderlijke, onkwetsbare en neutrale, om niet te zeggen lege centrum van de roman. 

In A Complete Unknown heeft Dylan ook wel wat van een halve heilige. De vrouwen krijgen in elk geval geen vat op hem en dat is dan ook precies waar het drama vandaan komt, net als bij De Idioot: onder de bijfiguren.
  Joan Baez is er wel klaar mee als Dylan in haar slaapkamer onverstoord aan zijn zoveelste liedje zit te schrijven zonder haar verder nog een blik waardig te keuren en gooit de jonge bard de deur uit. En Suze Rotolo (in de film veranderd in Sylvie Russo) krijgt een dramatische afscheidsscène, als ze zich realiseert dat ze nooit enige vat op het 'lege centrum' van de film gaat krijgen.

  Maar het sterkste strevende personage in de film is toch wel Pete Seeger, geweldig gespeeld door Edward Norton. Die vangt precies het bijna pijnlijk naïeve idealisme van Seeger, die oprecht denkt dat je met een akoestische gitaar de wereld kan verbeteren. En hij krijgt nog gelijk ook, als de jaren-zestig-generatie daadwerkelijk, onder meer gesteund door Dylans muziek, de barricaden van conservatief Amerika begint te bestormen.
  Helaas voor Seeger is dit ook meteen het begin van het einde voor de in rap tempo oubollig wordende folk-beweging. Dylan gaat elektrisch en de nieuwe generatie is niet meer te porren om in een kringetje 'Kumbaya My Lord' te gaan zitten zingen. 
  De pijn bij Seeger als hij ziet hoe de muzikale tijden veranderen is voelbaar, juist omdat hij er zo diep betrokken bij is.
   In 2014 is hij op 94-jarige leeftijd overleden. Had hij nog iets langer geleefd, dan had hij tot zijn eigen verschrikking kunnen constateren dat de dingen waar hij in 1964 over zong, weer akelig relevant beginnen te worden.

donderdag 25 juli 2024

Rood waren zijn gedachten

Pexels
Mijn meest favoriete verhaal aller tijden is geschreven door Saki en gaat over een fret die Sredni Vashtar heet. Het is een verhaal over wraak, over genoegdoening, over iemand die haar verdiende loon krijgt. In die zin is het niet echt een literair verhaal, die kennen immers zelden happy endings. Laten we zeggen dat het een literair vormgegeven jongensfantasie is.
  Sredni Vashtar gaat over een jongetje (Conradin) dat wordt opgevoed door zijn nicht (mevrouw De Ropp, oftewel de Vrouw). Voor de Vrouw is Conradin een ergerlijk, moeilijk te controleren element dat haar propere huishouden en haar keurige burgerlijke voorkomen verstoort. Conradin heeft slechts één plek om aan haar blik te ontsnappen: een schuurtje waar hij een Houdankip en een fret heeft verstopt. De Houdankip overstelpt hij met ‘liefde die elders geen uitweg vond.’  Voor de fret heeft hij grote angst en bewondering:
 
Conradin was vreselijk bang voor het lenige beest met zijn scherpe tanden, maar het was zijn dierbaarste schat […] Iedere donderdag, in de gedempte en schimmelige stilte van het schuurtje, hield hij een mystieke, omstandige plechtigheid voor de houten kooi waar Sredni Vashtar, de grote fret, troonde.
 
Dan slaat het noodlot toe: de Vrouw krijgt in de gaten dat Conradin zich ergens mee vermaakt:
 
‘Het is niet goed voor hem daar bij alle weer maar rond te scharrelen,’ bedacht ze dadelijk, en op een goede morgen bij het ontbijt kondigde ze aan dat de Houdankip de avond tevoren weggehaald en verkocht was. Met haar bijziende ogen gluurde ze naar Conradin, wachtend op een uitbarsting van woede en verdriet, klaar om die weg te praten met een stroom van belerende argumenten.
 
De kooi met de fret, helemaal achter in het schuurtje, heeft ze echter nog niet ontdekt. Conradin blijft dus bidden tot zijn god:
 
‘Doe één ding voor mij, Sredni Vashtar.’
 
Hij blijft naar het berghok gaan, zodat het niet lang duurt voordat de Vrouw ook het tweede kooitje ziet:
 
‘Wat heb je in dat afgesloten kooitje zitten?’ vroeg ze. ‘Het zijn zeker marmotten. Ik zal ze allemaal laten opruimen.’
 
Vanuit de eetkamer moet Conradin toekijken hoe de Vrouw het schuurtje binnenmarcheert. Straks zal ze weer naar buiten komen en dan zal zijn god veranderd zijn in een doodgewone bruine fret en zal de Vrouw getriomfeerd hebben, zoals ze altijd triomfeert. Hij begint de hymne te zingen van zijn bedreigde afgod: 
 
Sredni Vashtar ging heen.
Rood waren zijn gedachten en zijn tanden wit.
Zijn vijanden smeekten om vrede, maar hij bracht de dood.
Sredni Vashtar, de schone.
 
De minuten kruipen voorbij, terwijl de hoop ‘centimeter voor centimeter zijn hart insluipt.’ Dan is er eindelijk de verlossing:
 
[…] uit de deur kwam een lang, laag, geelbruin beest met rode natte vlekken op de pels rond zijn keel en zijn klauwen, dat met zijn ogen knipperde tegen het schemerige licht.
 
Conradin valt op zijn knieën, een ‘zure meid’ gaat maar eens kijken waar haar meesteres blijft, en terwijl in het huishouden van de Vrouw totale hysterie uitbreekt, en ze met elkaar ruzie maken over wie het ‘de jongen’ moet gaan vertellen, roostert Conradin op zijn gemak een broodje, iets wat de Vrouw hem altijd verbood, omdat het van die vervelende kruimels geeft.

vrijdag 19 juli 2024

Als losse tanden in een emmer

RGB Free, by crisderaud
Wat is een goede literaire tekst? Staat het vol met spitsvondige vergelijkingen, of is het juist zo karig en to the point mogelijk? Michael Chabon kiest in ‘De Jiddische politiebond (DJP)’ duidelijk voor de eerste school. Een voorbeeld:
 
Binnen is het zo leeg als een nachtbus naar de remise en het stinkt twee keer zo erg. Er is pas iemand binnen geweest met een emmer chloor om de constante baspartij van zweet en urinoirs in De Vorsjt van wat hoge tonen te voorzien. Een scherpe neus kan daarboven, of eronder, ook nog de jasvoeringlucht van versleten dollarbiljetten ontdekken […] De ronde tafeltjes die zich om het podium verdringen hebben omgekeerde stoelen op, als geweien […] Mevrouw Kaloesjner loopt de achterkamer in en het kralengordijn klettert achter haar neer met het geluid van losse tanden in een emmer.
 
Een nachtbus op weg naar de remise, zweet en urinoirs die een baspartij vormen en bestaat chloor uit hoge tonen? Wat is in vredesnaam een ‘jasvoeringlucht’? Hoe klinken ‘losse tanden in een emmer’? 
 Een van de problemen met deze laatste metafoor is dat ik nu helemaal weg ben bij mevrouw Kaloesjner en haar kralengordijn. Ik zie nu een emmer vol tanden voor me. Waar komen die tanden vandaan? Welke zieke geest heeft een emmer vol met tanden gevuld? Wie weet in vredesnaam hoe een emmer met losse tanden klinkt? 

  Ik moet tijdens het lezen van DJP vaak aan Raymond Carver denken, ook een Amerikaanse auteur, maar dan van de tegenovergestelde literaire school. Carver schrijft uitgebeende, realistische korte verhalen over sores in de lagere middenklasse. Bijvoorbeeld het verhaal ‘What’s in Alaska?
  Dat verhaal gaat helemaal nergens over. Jack heeft nieuwe schoenen gekocht, ‘for comfortable wear.’ Diezelfde avond is hij samen met zijn vrouw Mary uitgenodigd bij Helen en Carl. Carl heeft van Helen een waterpijp voor zijn verjaardag gekregen en die willen ze uit proberen. Dit levert onder meer de volgende dialoog op, als de kat van Carl en Helen met een muis binnen komt lopen:
 
The cat carried the mouse into the living room, stopped to look at them, then carried the mouse down the hall […]
  “She’s eating the mouse,” Carl said.
  “I don’t think I want her eating a mouse in my bathroom,” Helen said. “Make her get out of there. Some of the children’s things are in there […]
  “What the hell, Carl said. “Cindy’s got to learn to hunt if we’re going to Alaska.”
 
Natuurlijk gaat helemaal niemand naar Alaska, iedereen gaat de volgende dag gewoon weer aan het werk.
 'Er is veel leed in de Tweede Helmersstraat', schijnt Mulisch eens gezegd te hebben, 'alleen ik wil dat niet weten.'
  Huiskamertjesrealisme wordt dit soort proza ook wel genoemd. Toch raakt Jack, met zijn nieuwe schoenen waar hij niet helemaal zeker van is en zijn baan waar hij al jaren genoeg van heeft, me meer dan mevrouw Kaloesjner met haar kralengordijn dat klettert als tanden in een emmer. 
  Wat niet wil zeggen dat DJP helemaal waardeloos is, onder het bloemrijke proza zit een boeiende roman verborgen over een moordzaak in de fictieve staat die de Joden in een parallel universum in Alaska hebben gesticht. De Volkskrant blurpt:

  "[...] een wereld die afwisselend cynisch, humoristisch an angstwekkend is, maar soms ook ruimte biedt aan tederheid."

Dat je precies hetzelfde kunt zeggen over de wereld van Donald Duck zullen we Chabon maar niet kwalijk nemen. 

zaterdag 20 april 2024

Heldendaden


In de roman Zaterdag van Ian McEwan speelt een neurochirurg de hoofdrol. McEwan heeft zich goed ingelezen en zijn research gedaan: ik heb nooit eerder zo overtuigend de sfeer op een operatiekamer beschreven gezien. Ook weet McEwan treffend de vreugde van het chirurgisch vakwerk te beschrijven:

De afgelopen twee uur is hij verdiept geweest in een droom die elk besef van tijd, en elk bewustzijn van de andere onderdelen van zijn leven doet vervliegen. Zelfs zijn bewustzijn van zijn eigen leven is verdwenen. Hij is geplaatst in een zuiver heden, vrij van de last van het verleden of enige zorg om de toekomst. Naderhand, maar nooit op het moment zelf, voelt het aan als innig geluk. 

Deze beschrijving is waarschijnlijk niet uniek voor de ervaring van een chirurg, maar ook van toepassing op de beleving van een gedreven loodgieter of timmerman. Het draait om de combinatie van problemen en oplossingen:

  Deze goedaardige dissociatie lijkt iets te vereisen als een probleem, een langdurig beroep op concentratie en kunde, druk, moeilijkheden die opgelost moeten worden, gevaar zelfs. Hij voelt zich kalm en weids, zijn bestaansrecht is totaal. 

  Op operatiekamers ben ik nooit verder gekomen dan het aanreiken van instrumenten of het openhouden van bloedvaten, maar de ervaring is herkenbaar. Het is tegelijkertijd de afwezigheid van storend alledaags gerommel en de aanwezigheid van opperste concentratie. Geconcentreerd aan een tekst werken komt in de buurt, maar wat nog meer in de buurt komt is gamen. 
  Ik heb altijd gedacht dat geneeskunde niet veel meer is dan een zeer geavanceerde videogame. Je moet je een vreemde wereld eigen maken, waarin honderden bizarre elementen (endoplasmatische reticuli, mitochondria, pancreatische neuro-endocriene tumoren) in een ingewikkeld evenwicht verkeren, waar je als speler met medicijnen of zelfs met je handen bij in kunt grijpen, zodat je uiteindelijk de overwinning kunt behalen. 
  Niet voor niets deden de plaatjes uit leerboeken celbiologie me vaak denken aan een poster die in de hoek van mijn kleuterklas hing. Die poster beeldde de planeet Eternia af, waar He-Man met zijn makkers streed tegen Skeletor en zijn boevenbende. Wat me vooral aan die poster intrigeerde was de woestijnachtige wereld waarin de figuren waren afgebeeld. Die wereld leek zo tastbaar, alsof ik er zo in zou kunnen stappen. 
  Weg uit de kring kinderen die hoofd-schouders-knieën-teen zongen, een liedje dat me als zesjarige al vrij debiel in de oren klonk, Eternia in, om samen naast He-Man tegen die akelige Skeletor te strijden. 
  Inmiddels zijn we ongeveer veertig jaar verder en het enige wat werkelijk veranderd is, is dat ik inmiddels op de hand van Skeletor ben. Tot mijn grote voldoening leeft de wereld van He-Man nog steeds voort. De hoofdrol is hierbij, zoals wel vaker, naar de slechterik gegaan. Waarom mag He-Man eigenlijk in dat mooie kasteel leven en is Skeletor afgescheept met een donker bouwval ergens in de moerassen? 
  Skeletor verzint plan na plan om Castle Greyskull van He-Man te veroveren en zet al zijn kennis en kunde hiervoor in, maar wordt steeds op het laatste moment gesaboteerd door incompetente collega's of door pure pech. 
  Hier kan je als volwassene veel meer mee dan met die vervelende He-Man, die alleen maar zijn zwaard in de lucht hoeft te steken om superkrachten te krijgen. 
  Hele online communities zijn inmiddels aan Skeletor gewijd en dan vooral aan zijn doorzettingskracht en zijn geniale beledigingen als hij weer eens wordt tegengewerkt door incapabele idioten. Zit het even tegen op het werk, dan kijk ik een minuutje naar Skeletor die zich vermaakt met zijn zoveelste evil scheme en dan kan ik er weer een uurtje tegenaan. 
  

vrijdag 2 februari 2024

Poëtisch geheugen

RGB free, by Lusi
Logan Roy, een van de hoofdrolspelers in de HBO-serie Succession, is niet echt een man van de genuanceerde sentimenten. Als self made miljardair en mediatycoon is hij in een continue oorlog verwikkeld met de hele wereld in het algemeen en zijn drie jongste kinderen (de potentiële ‘successors’) in het bijzonder. 
  Die drie kinderen zijn stuk voor stuk cynische half-pyschopaatjes. Alleen de oudste zoon, Connor, lijkt een wat zachtere kant te hebben. Als de hele familie afreist naar het Schotse geboortehuis van Logan, waar hij een fucking gedenkplaat zal krijgen, probeert Connor zijn vader tot een sentimentele jeugdherinnering te verleiden:
 
Connor: ‘Tell us a story, from back in the day.’
Logan: ‘You wanna hear about the fucking Rosebud? Rosebud is a dollar bill. It’s whatever it took to get me the fuck out of here.’
 
Logan verwijst hiermee naar de film Citizen Kane, over een mediatycoon die op zijn sterfbed ‘Rosebud’ fluistert. Aan het einde van die film blijkt dat de naam te zijn van een houten speelgoedsleetje waar de achtjarige Kane mee speelde op de dag dat hij bij zijn ouders werd weggehaald en naar een kostschool werd gebracht. 
  Waar de speelgoedslee bij Kane symbool staat voor een verloren wereld van geborgenheid en warmte, staat de dollar bij Logan symbool voor een vlucht uit een disfunctionele gezinssituatie, naar een wereld waarin hij zelf aan de touwtjes trekt: de wereld van de deals en de dollars, de boardrooms en de winstpercentages. Aan het verleden wil Logan verder niet al te veel woorden meer vuil maken. Zijn dochter Shiv doet nog een poging;
 
  Shiv: ‘Don’t like the past too much, huh?’
  Logan: ‘It's just, there's so much of it. The future is real, but... the past, well it's... all made up.’
 
Logan heeft zijn wereld verkleint tot de volgende belangrijke deal. Het lijkt nog het meest op leven in het oerwoud, het is eten of gegeten worden. In zo’n omgeving is er maar weinig ruimte voor het activeren van het poëtisch geheugen, een term die Kundera gebruikt in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Kundera beschrijft in die roman hoe het poëtisch geheugen van het personage Tomas op non-actief komt te staan. Tomas schrikt als een ex hem aan een onvergetelijke vrijpartij tijdens het onweer herinnert, terwijl hij dat hele onweer totaal vergeten is:
 
Zijn geheugen registreerde van zijn liefdesavonturen slechts het steile en smalle pad van de seksuele verovering […] Al het andere stootte zijn geheugen (bijna met een soort pedanterie) af. Hij was zelfs de plaats vergeten waar hij die vrouw voor het eerst had gezien, want dat ogenblik lag nog voor de eigenlijke seksuele aanval.
 
De manier waarop Tomas’ brein in die periode werkt, lijkt aardig overeen te komen met de manier waarop Logan graag in het leven staat. Verander ‘seksuele aanval’ in ‘zakelijke aanval’ en je hebt dezelfde state of mind: praktisch, gericht op de toekomst, als een roofdier die elke avond zijn eten moet verschalken om te overleven. Zo’n manier van leven heeft als voordeel dat er weinig ruimte is voor pijnlijke jeugdherinneringen of ander sentimenteel ongemak, maar het heeft ook zijn nadelen. Kundera beschrijft hoe de ervaring die Tomas compleet vergeten is, in het geheugen van de vrouw altijd voort is blijven leven:
 
Het meisje sprak over onweer, glimlachte dromerig en hij keek met verbijstering naar haar en schaamde zich haast: ze beleefde iets moois en hij deelde dat niet met haar. In die twee manieren waarop hun geheugen op het avondweer reageerde, lag het hele verschil besloten tussen liefde en niet-liefde.
 
Kundera concludeert:
 
In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt […] Liefde begint op het moment dat een vrouw haar eerste woord grift in ons poëtisch geheugen. 
 
Het concept van poëtisch geheugen (PG) bevalt me wel. Het lijkt me een waarheid over de werking van het brein waar de hele romantische industrie omheen gebouwd is. Soms moet je het PG een beetje helpen: dan ga je in een sfeervol restaurant met je partner tussen een paar flakkerende kaarsen zitten en klik, de maaltijd krijgt een lading die het aan de keukentafel naast de piepende magnetron nooit gehad zou hebben. Een andere eigenschap van het PG lijkt me dat het met de jaren langzaam maar zeker uitdooft.   
  Gelukkig is er een medicijn tegen dat afkalvende poëtische geheugen en dat is de kunst. 
  Een roman of een gedicht, een mooie film of een sterk liedje kan je PG zomaar even een opdoffer geven. Een koning in dit genre is de Nederlandse Spinvis. Die maakt liedjes over het feit dat alles zo snel voorbijgaat en zorgt er zo voor dat alles nog wat langer beklijft.
  Al moet je daar natuurlijk wel een beetje open voor staan en zin in hebben. Zo niet, dan is dat wegebbende poëtisch geheugen alleen maar een zegen en mocht er toch een keer zo’n zeikliedje op de radio voorbijkomen, dan zeg je ‘fuck this shit’ en bel je snel een klootzak van een concurrerend mediabedrijf op om even lekker ruzie mee te maken. 


zondag 30 juli 2023

Ontluistering

Foto: Airam Dato-on
Michel Houellebecq schrijft romans over mensen die ontheemd door het geïndividualiseerde, geglobaliseerde en dood-gemanagede Westen van de post-sixties dwalen.  Zijn mannelijke hoofdpersonen hebben geen idealen, geen zingeving, proberen overeind te blijven door in hun emotionele woestijn van sensatie naar sensatie te springen, van seks naar een lekkere maaltijd, van drank naar een sigaret.
  In Serotonine (2019) is een van de grootste dagelijkse problemen waar de verteller mee worstelt bijvoorbeeld het vinden van een hotel waar nog gerookt mag worden:

... ik had me nog niet de guerilleroachtige bedrevenheid eigen gemaakt waardoor rookdetectors me later geen ontzag meer inboezemden: als het kapje eenmaal van het apparaat is geschroefd, volstaan twee stevige knijpbewegingen met de zijsnijtang om het elektrische circuit van het alarm uit te schakelen en geen haan die ernaar kraait. 

Ergens halverwege de roman heeft Houellebecq het perfecte beeld te pakken van de verdwaasde moderne westerling, die geen idee meer heeft in wat voor wereld hij terecht is gekomen. Het beeld komt uit een van de meest walgelijke uitvindingen van hetzelfde Westen, de intensieve bio-industrie:

... in de vanuit de hoogte met sterke halogeenlampen verlichte loodsen probeerden duizenden kippen te overleven, dicht op elkaar gepakt, er waren geen hokken, het was een 'scharrelpluimveehouderij', ze waren kaal en uitgemergeld, hun opperhuid was geïrriteerd en wemelde van de bloedluizen, ze leefden temidden van de rottende kadavers van hun soortgenoten en vulden elke seconde van hun korte bestaan - maximaal een jaar- kakelend van doodsangst. [...] het was het eerste wat je opviel, dat onophoudelijke gekakel die permanente blik van paniek waarmee ze je aankeken, die blik van paniek en onbegrip, ze vroegen niet om medelijden dat zouden ze niet hebben gekund maar ze begrepen het niet, ze begrepen de omstandigheden waaronder ze moesten leven niet.

Met name die laatste zin is ook van toepassing op de personages die Houellebecqs romans bevolken. Ze weten dat ze na school een carrière na moeten streven, dat ze in bloedeloze gebouwen zinloze vergaderingen bij moeten wonen, dat ze zichzelf als een project moeten beschouwen, maar het werkt niet, er ontbreekt iets, een natuurlijke omgeving, een inbedding in een traditionele cultuur, wat leidt tot eindeloze paniek en steeds moedelozer gekakel.
  Maar die uitgemergelde kippen zijn natuurlijk niet alleen maar een beeld van iets anders, ze zijn ook gewoon een beeld van zichzelf. Het is iets wat bestaat, vlak onder onze neus en waar niemand een moer om geeft.
   Dat is uiteindelijk nog wel het meest ontluisterende in een boek dat aan ontluistering geen gebrek heeft. 

woensdag 26 april 2023

Shakespeare

RGB Free, by joeldinning
Nadat A.F.Th van der Heijden in 1996 'het laatste deel' van de Tandeloze Tijd-cyclus publiceerde, begon hij aan zijn nieuwe mega-cyclus: Homo duplex. Deze serie ging in 2003 van start met de Movo tapes. Ondertussen lijkt die nieuwe serie een stille dood gestorven en zijn er alweer meerdere boeken verschenen die aanhaken op het Tandeloze Tijd-universum.
  
  Ik kan me herinneren dat Max Pam bij elk deel van Homo duplex Van der Heijden het goedbedoelde advies gaf om onmiddellijk met het project te stoppen, omdat het steeds onbegrijpelijker begon te worden. Ook Arnon Grunberg was er niet kapot van, die las een boekje van de cyclus en sprak over 'uitingen van een verwarde kabbalist.'
  Onderdeel van het probleem was onder meer het uitgangspunt. De cyclus draait rond de god Apollo die in mensengedaante eind twintigste eeuw over de aarde wandelt en iemand wil opvoeden tot het 'ontketenen en leiden van de Wereldstaking.'
  Dit is een wat abstract en ongeloofwaardig gegeven. In de Movo tapes zien we bijvoorbeeld hoe Apollo als pornofotograaf betrokken is bij de conceptie van een jongetje dat later in een eigentijd Oedipusverhaal moet figureren. Het leidt tot een heleboel vergezochte toestanden waarbij steeds op de achtergrond de vraag blijft spelen: hoe weet Apollo nou zo zeker dat al dit gedoe tot een 'Wereldstaking' gaat leiden?

 In Het schervengericht, waarvoor Van der Heijden in 2007 de AKO-literatuurprijs won, zien we een ander verhaal waar Apollo bij betrokken zou zijn geweest. Eind jaren zestig zou hij Charles Manson hebben aangezet tot zijn waanzinnige moordpartijen in Los Angeles, door hem een 'apocrief' Beatlesnummer toe te spelen. Dit is een variatie op wat er werkelijk gebeurd is, Manson scheen geobsedeerd te zijn door het nummer Helter Skelter van The White Album.
  Ook bij deze verhaallijn is het weer de vraag hoe die Wereldstaking er dan precies uit zou zien en waarom een Beatlesliedje dat allemaal teweeg zou kunnen brengen. Deze vragen op macroniveau beletten echter niet dat er op microniveau in alle Homo-duplex boeken gigantisch veel te genieten valt. Ook al slaat het uiteindelijk nergens op, door zijn fantastische stijl en verbeeldingskracht vlieg je toch door die boeken heen. Als Van der Heijden beschrijft hoe Charles Manson (in het boek 'Maddox') in de gevangenis het niet bestaande Beatlesnummer 'Hurly Burly' op een gitaar tokkelt, krijg je toch de neiging om het nummer op Youtube op te gaan zoeken:

De gitaarintro leek op die van 'Working Class Hero', maar had een lager tempo. Dacht Remo Lennons aarzelend slepende stem voor Maddox' gruizige geluid in de plaats, dan riep de zang reminiscenties op aan 'Strawberry Fields Forever' [...] 

Wanneer Apollo John Lennon een briefje schrijft om hem te verleiden een nummer met Shakespeare citaten op te nemen, besluit hij met:

'ps - Zelfs bij Bob Dylan is Shakespeare in the alley.'

Dit laatste is een verwijzing die vijfennegentig procent van de lezers waarschijnlijk helemaal niets zegt, maar als Dylan-liefhebber hoor je meteen de regel uit Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again:

Well, Shakespeare, he's in the alley
With his pointed shoes and his bells
Speaking to some French girl
Who says she knows me well

Het zijn dit soort dwarsverbandjes die veel Van der Heijden-romans iets eindeloos uitdijends en vormeloos geven en hem ook op kritiek komen te staan. Maar Van der Heijden verwijten dat hij wat moet schrappen en een strakkere plot moet bouwen, is net zoiets als een jazzmuzikant verwijten dat hij eens moet kappen met improviseren en gewoon coupletje-refreintje-coupletje moet spelen. 


woensdag 11 januari 2023

Dichter

Foto: Wikipedia
Schrijven over een wereld
vol steden en drank en licht 
verlatenheid en jazzmuziek in
morsige café's

over liefde die begint tussen versnipperde viltjes 
op een drijfnat tafelblad en 

al die tijd denk je steeds dat je iets vergeet
maar er gebeurde toch nooit iets hier

tot het je plots, vlak voor het slapengaan
alsnog te binnen schiet
je dacht nog dat je hem zojuist 
naast een lege tram zag staan
maar dat kan dus niet

de dichter is weggegaan. 

vrijdag 22 juli 2022

Etiquette

Foto: Wikipedia
In de roman Hoffman's Honger van Leon de Winter belandt de hoofdpersoon, Felix Hoffman, een verloederende diplomaat, aan het einde van het verhaal in een zomerhuis aan de Vughtse IJzeren Man:
 
  Zijn huis lag verborgen achter struiken en bomen en ook nu, nadat de herfst de bladeren had weggenomen, kon je vanaf de provinciale weg niets van de houten wanden zien. 

Ik fiets naar de IJzeren Man terwijl ik denk aan die 'provinciale weg' van De Winter. Eerst dacht ik dat hij daarmee de N65 naar Tilburg bedoelt, maar even verderop staat in het boek: 

  Hij had geen vaderlandsliefde, stelde hij vast terwijl hij de zandweg naar de provinciale weg tussen Vught en Loon op Zand in het oog hield, want hij had geen vaderland.

  Loon op Zand is een rare plaats om te noemen als je de N65 bedoelt. Daarom denk ik dat De Winter weleens een smalle autoweg achter de IJzeren Man kan bedoelen, die inderdaad met wat kronkels en bochten richting Loon op Zand gaat. Ik fiets over deze weg en speur naar een zandweg die naar Hoffmans zomerhuis moet leiden, maar vind niets wat erop lijkt. 
  Bij de IJzeren Man ga ik op een handdoek zitten, een meter of tien verwijderd van een groep meiden van een jaar of vijftien. Ze gedragen zich als meiden van vijftien, totdat eentje een telefoon tevoorschijn haalt. 
  
  Het is tijd om een stukje vlog op te nemen.
  
  Ze gaan in de houding staan, yellen een intro, roepen om de beurt wat naar de camera, sluiten af en gaan weer door met giebelen, terwijl eentje het gemaakte filmpje beoordeelt en alvast wat montagewerk doet.
  
  Ik moet denken aan een andere boekje van De Winter: het boekenweekgeschenk Serenade uit 1995. De hele plot van dat boekje draait om een verdwenen vrouw, die al dan niet op vakantie is, waar ze al dan niet toegang heeft tot een telefoon, 'want die hebben ze niet in alle hotels'. Voor die meiden moet zo'n boekje al een soort Pride and Prejudice zijn, een lichtelijk belachelijke wereld uit grootmoeders tijd. 
  
  Even verderop staan een paar jongens in het water te voetballen en te schreeuwen, ze maken geen vlogjes, ze werken op een ouderwetse manier aan hun image: via de sportschool, de zonnebank en het uitstoten van krachtdadige geluiden laten ze merken dat ze viriele en vruchtbare mannetjes zijn. 
  Het lijkt er echter op dat ze hun energie beter kunnen besteden aan het liken van de video die de dames net hebben opgenomen, misschien kunnen ze er een spitsvondig en verrassend opmerkzame comment onderzetten, zodat de dames zich gezien weten en zich ook begrepen voelen, zoveel is er sinds Pride and Prejudice immers ook weer niet veranderd. 

zaterdag 28 mei 2022

Engagement

RGB Free, by melodi2
De grote bioscoopzaal van de Verkadefabriek was tot de nok toe gevuld met grijze en kale hoofden. Honderden ouden van de dagen hadden zich met behulp van rollators, krukken en stokken naar de verfilming van De Heilige Antonio gerept, Arnon Grunbergs Boekenweekgeschenk uit 1998.

  

 Na afloop van de film was er een drankje in de lounge, waar Grunberg zat te signeren en waar je met de schrijver in gesprek kon over de verfilming van zijn boek. Vooraan slingerde een oude vrouw zich met ware doodsangst naar het tafeltje van Grunberg.

 

  “Wie was nou die man,” schreeuwde ze toen ze het tafeltje van de schrijver had bereikt. Ze leunde met haar handen op de tafelrand en staarde de schrijver aan alsof hij haar persoonlijk verantwoording verschuldigd was. 

  “Die man die op het einde werd doodgestoken? Was dat nou die man van het begin, of was het een andere man?”

  “Volgens mij was het dezelfde man,” antwoordde Grunberg beminnelijk. “Maar het is wat onduidelijk.”

  De vrouw knikte, ze leek maar matig tevreden met dit antwoord. Ze schoof haar krukken weer onder haar arm en strompelde peinzend weg. 

  “Vind u ook niet dat we meer vluchtelingen moeten opnemen,” vroeg de volgende bezoeker aan Grunbergs bureautje, een gedistingeerde grijze heer. “We moeten ons schamen!” Ook de mensen na deze meneer begonnen over vluchtelingen te praten zodra ze het tafeltje van Grunberg hadden bereikt. Het zou niet lang meer duren voordat een van die grijze heren door een maatje een tafel opgehesen werd, om in de lounge van de Verkadefabriek de revolutie uit te roepen. 

  Eindelijk had ik ook het tafeltje van Grunberg bereikt. Achter me stond een man met een stok me dreigend aan te staren.

 

 “Michiel,” fluisterde ik zachtjes toen Grunberg na een pijnlijke stilte vroeg aan wie hij mijn boekje kon opdragen. Toen ik het boekje weer terug had maakte ik me maar snel uit de voeten, voordat ze in de kerk in de gaten kregen dat ik niet had meegebeden. 

zondag 19 december 2021

Een eigen mythe

RGB Free, by xymonau
De P.C. Hooft-prijs voor Arnon Grunberg deed me denken aan Grunbergs roman 'Fantoompijn', die ik twintig jaar geleden las op mijn studentenkamertje op de Utrechtse Uithof. Het was een van de eerste boeken die ik van mijn eigen geld had aangeschaft, in plaats van uit de boekenkast van mijn ouders te trekken. 
  
Het was meteen een voltreffer: ik heb Fantoompijn inmiddels minstens vijf keer gelezen. Het gaat onder meer over identiteit, over het spelen van rollen en het 'in scène zetten van de werkelijkheid'. Hoofdpersoon is Robert G. Mehlman, een matig succesvolle romanschrijver die uiteindelijk roem vindt met zijn internationale bestseller 'De Pools-joodse keuken in 69 recepten'. De zoon van Mehlman zegt over zijn vader en diens drang tot zelf-mythologisering:

Mijn vader was een verzinsel [...] Er is maar één manier om te voorkomen dat je voor altijd blijft figureren in de mythe van een ander - dat is zelf een mythe creëren, zelf een mythe worden. 

Terwijl ik Fantoompijn las in een versleten bruine fauteuil, gehuld in een wolk Camel-rook, speelde op tv een muziekclip:

 

Dat nummer is oorspronkelijk natuurlijk van Don McLean:

   

Over de betekenis van de raadselachtige tekst van dit nummer zijn al aardig was artikeltjes geschreven. Duidelijk is dat het in ieder geval over het overlijden van Buddy Holly gaat op 3 februari 1959 ('The day the music died'). De verteller van de tekst bezorgt die dag de krant en elke keer als hij een nieuwe krant uit zijn tas pakt staart het droevige nieuws hem aan:

But February made me shiver

With every paper I'd deliver

Bad news on the doorstep

I couldn't take one more step


Het nummer gaat ongeveer over het verlies van de Amerikaanse onschuld en daarbij komen naast Buddy Holly nog meer Amerikaanse rocksterren voorbij, zoals de inmiddels volgevreten Rolling Stones ('moss grows fat on a rollin' stone') en ook Bob Dylan komt voorbij, in de vorm van de hofnar die de kroon van de koning steelt:

When the jester sang for the king and queen 

in a coat he borrowed from James Dean

And a voice that came from you and me


Oh, and while the king was looking down

The jester stole his thorny crown


McLean heeft nooit uitleg willen geven over de tekst, maar bovenstaande passage als cryptische verwijzing naar Dylan bevalt me wel. Dat jasje van James Dean, waarmee de jaren zestig Dylan in een keer scherp wordt neergezet en ook Dylan als clown die de gevestigde orde komt opschudden en ervandoor gaat met de kroon van de koning, dat kwikzilverachtige en schooierige dat Dylan in die tijd had wordt in een paar regeltjes heel mooi verwoord.  

Ik zie meteen Dylan voor me die in 1965 in een leren jasje de folk-liefhebbers op het Newport Folk Festival shockeert door elektrische muziek te spelen: 




De liefhebbers van Dylans akoestische werk waren destijds hevig teleurgesteld dat Dylan niet dezelfde bleef. Nu hadden die arme folk-liefhebbers natuurlijk ook nog niet de kans gehad om Fantoompijn van Arnon Grunberg te lezen, anders hadden ze waarschijnlijk wel wat meer begrip gehad voor Dylans behoefte om zichzelf te blijven vernieuwen en zo iedereen altijd een stap voor te zijn, telkens weer te ontsnappen aan de mythes die van alle kanten om je heen gesponnen worden, door net op tijd in je gloednieuwe, net van de pers gerolde eigen mythe te stappen. 

zondag 7 november 2021

Peddelen

RGB Free, by nardbettygeorge
Tussen Vught en Sint-Michielsgestel stroomt de Dommel, een riviertje dat hier en daar zo smal is dat je er volgens Albert Egberts, de hoofdpersoon in Van der Heijdens romancyclus "De Tandeloze Tijd", met geen mogelijkheid in zou kunnen verdrinken:
   
De Dommel... Het had ook Sluimer kunnen zijn... De enige rivier met een precies horizontale bedding.
  
  Alberts overgrootvader wordt door een "stekelige baars" de Dommel ingetrokken, wat hij overleeft, "terwijl hij niet eens kan zwemmen". En Alberts vader wordt als elfjarig jongetje door zijn oudere broer met de fiets van een Dommelbrug geduwd, waarna hij in de berm belandt en de rest van z'n leven "Altje Vlug van de Dommelbrug" wordt genoemd.
    Dat zijn zo ongeveer de dingen waar ik aan denk terwijl we staan te kijken naar een stel middelbare scholieren die zichzelf giechelend in kleurige kajaks proberen te wringen. De opstapplaats voor die kajaks is in Halder, een buurtschap dat zeventig inwoners telt en waar altijd iets hoognodig geschilderd lijkt te moeten worden. Als laatste stapt de lerares in een kajak, ze heeft onder haar kleren een badpak aan en lijkt met zorg de leerling uitgekozen te hebben met wie ze de kajak deelt. 

  "Rustig beginnen," adviseert de kajak-ondernemer, "zorg dat je in een ritme komt."
   
  De lerares en haar favoriete leerling verdwijnen richting Den Bosch en wij lopen over de dijk naar Gestel, met rechts van ons wat grazende koeien en links het schommelende water met futenfamilies, meerkoeten en af en toe wat kinderen die langs komen stuiven op een motorbootje. Aangekomen in Gestel kun je op een brug over het water staren dat ook daar gewoon door blijft stromen of je kan je omdraaien om hetzelfde stuk weer af te leggen, alleen deze keer met de koeien aan je linkerhand.
  
  Teruggekomen bij de kajak-opstapplaats blijken we het drama precies gemist te hebben.
  De lerares heeft een grote handdoek om zich heen geslagen en kijkt verslagen naar het kabbelende water. 
 "Vandalen zijn het," mompelt ze. "Kleine kinderen op zo'n motorboot. Dat is toch vragen om problemen."
  De kajak-man knikt instemmend. 
  "Golfslag?" informeert hij,
  "We zijn gekapseisd," mompelt de lerares. "Zelfs Harry kon er niets meer aan doen."
   Harry slaat vol schaamte zijn ogen neer. Deze dag op de Dommel zal hem nog lang achtervolgen, het is niet uit te sluiten dat hij ooit een boek zal schrijven waarin een lerares en een leerling figureren die zichzelf leren kennen terwijl ze in een kajak moeizaam voortpeddelen van Halder naar Den Bosch.

zaterdag 14 augustus 2021

Terug naar Vught (channeling Jan Wolkers)

RGB Free, by bertvthul
 Ik herken de slagerij bijna niet meer terug. Een groene poort sluit het steegje af waar vroeger de koeien doorheen werden geleid. Alleen een koperen ring aan de muur herinnert nog aan het bloedige verleden.
    Mijn vader die achter in de tuin de varkens slachtte.
  
  Ik ben toen een nacht niet thuisgekomen. Ik zwierf door de bossen van Bergenshuizen. Vanuit een boom keek ik naar het tennisspel van rijkeluisdochters in witte rokjes. Ik stelde me voor dat zo'n meisje mijn vriendinnetje was en dat ik haar meenam naar het kerkhof aan de Elisabethstraat. 
  Daar vond je de mooiste torren en kevertjes, die blaakten van gezondheid dankzij al die rottende lijken onder de protserige praalgraven van Vughtse notabelen die met zo'n zuil alvast een voorschot hoopten te nemen op een ereplaatsje in de hemel.
 Het mooiste was het wanneer er een Molukker werd begraven. Dan was er muziek en werd er gezongen en dat voelde op de een of andere manier veel logischer dan die treurige bleke smoelen die je daar normaal gesproken zag. 
  Uiteindelijk moest ik natuurlijk toch weer naar huis en achter op het plaatsje lag nog steeds het bloed van die varkens en ik had alleen mijn kevertjes die ik op mijn kamer op de vensterbank in een potje stopte om me een beetje af te leiden, tot mijn broer die potjes pesterig naar beneden gooide en zei dat het vliegende herten waren.
  Van de slagerij tot Bergenshuizen is het nu helemaal volgebouwd, je moet drie rotondes over om weer in de velden richting Esch te komen. Daar fietste ik vroeger naar mijn baantje in het bejaardentehuis, waar ik als een tovenaarsleerling in een gigantische bak soep stond te roeren die even later in de grote zaal door al die tandeloze bekkies werd opgeslurpt. 
  Een van die oude mannen vroeg altijd hoe het met mijn meisje ging en dan zei ik dat ze tenniskampioen was geworden en dan lachte hij en hij geloofde er niets van, maar hij speelde het spelletje wel altijd mee en daarom gaf ik hem een extra goed gevulde kom soep, totdat die man ook naar de Elisabethstraat werd gebracht en toen ben ik met dat baantje gestopt, ik had er toch allang weer genoeg van.

woensdag 25 maart 2020

Voordeel

Foto: Wikipedia
Een paar jaar geleden was er een kleine hype rond de roman Stoner van John Williams. Ik vond Stoner ook erg goed, maar ik vind zijn boek Augustus misschien nog wel beter.

  Een kleine zwijgzame jongeman moet zichzelf overeind houden binnen een chaotische slangenkuil van belangen, partijen, familie en politiek. Rome van 2000 jaar geleden komt naar voren als één grote maffia-achtige structuur en de jonge toekomstige keizer Augustus, met zijn 'felle, helblauwe ogen' deed me steeds meer denken aan Michael Corleone uit The Godfather.
 
 Net als Michael groeit Augustus in zijn rol, dankzij zijn liefde voor de macht. Deze liefde vergelijkt hij met de liefde van een schaker voor het schaakspel, van een dichter voor zijn tekst of een filosoof voor zijn idee. Het is liefde voor orde en harmonie:

Voor een dergelijke, zuivere liefde is geen levend object nodig, en daarom is men er in het algemeen over eens dat dit de meest zuivere vorm van liefde is, omdat zij is gericht op een object dat het absolute nadert.

Dat er bij liefde voor orde af en toe een levend object sneuvelt, daar zijn zowel Michael Corleone als Augustus wel erg bedroefd over. Michael laat zijn broer Fredo executeren in een vissersbootje, Augustus verbant zijn geliefde dochter naar een onbewoond eiland, omdat ze wat halfslachtig aan een een complot tegen hem heeft meegewerkt.

  Het innerlijke conflict tussen de bezeten liefde voor orde van de manische machthebber en zijn onuitroeibare liefde voor mensen om hem heen is een tijdloos thema, het voordeel dat film dan toch boven een boek heeft, is dat een filmmaker de ogen van Al Pacino in kan zetten.


zondag 15 maart 2020

Coherent

In het kader van de boekenweek organiseerde Boek & Bal Boxtel een schrijfwedstrijd met als thema 'rebellen en dwarsdenkers'. Ik stuurde een verhaal in dat geïnspireerd was op een oude klasgenoot die ik wel een beetje een rebel vond. Mijn verhaal werd genomineerd en uiteindelijk eindigde ik op een gedeelde derde plaats. Ik kreeg een mooi juryrapport opgestuurd, waarin mijn verhaal als volgt wordt gekarakteriseerd:

Een goedlopend coherent verhaal met een mooie wending en origineel gebruik van bestaande thema's

Met deze beoordeling ben ik uiteraard erg in mijn nopjes, als ik ergens naar streef in mijn teksten is het wel coherentie.


Levend Stratego


Tijdens het lentekamp ging onze leraar Latijn, ook wel bekend als 'de Beul', bij elk onderdeel voorop. Touwklimmen, roeien, boogschieten: met ontbloot bovenlijf toonde hij de klas zijn fysieke kracht. Waar de Beul steeds als eerste over de finish kwam, eindigde mijn vriend J. Carel steevast als laatste. Dit deed hij ongetwijfeld expres, het was onderdeel van de jarenlange strijd die er woedde tussen Carel en de Beul.
  Er zat een zekere weerspannigheid in Carel die de Beul razend maakte, hoewel hij ook de mooiste vertalingen inleverde, schijnbaar achteloos neergepend, wat de ergernis alleen maar vergrootte. Een primitief kamp, ver weg van de bewoonde wereld, bleek een plaats waar de leraar eindelijk in het voordeel was.
  Carel onderging de vernederende schimpscheuten van de Beul, als hij weer eens klungelig aan een touw bungelde, zo veel mogelijk met superieure gelatenheid.
  Op de laatste avond verzamelden we ons voor het eindspel in het hoofdgebouw, moe en overprikkeld, de dagenlange inspanningen hadden hun tol geeist. Warme boslucht waaide loom naar binnen. Onder een knipperende tl-buis legde de Beul de regels van levend stratego nog een keer uit.

  'De maarschalk beweegt zich vrij tussen de linies. Alleen hij communiceert met de andere stukken. Elk stuk mag de vlag pakken, waarna het spel is afgelopen. Vragen?'
 
  Lamgeslagen keek de klas naar hem terug, alleen Carel begon steeds meer tekenen van leven te vertonen. Het afgelopen jaar was zijn haar tot aan zijn schouders gegroeid, het rustte in krullen op zijn lange paarse jas. Hij was legerkistjes gaan dragen en had vaak een houten wandelstok bij zich, een prachtig gesneden ding met een bonkige knoest erbovenop, die hij natuurlijk niet nodig had, maar waar hij vervaarlijk mee zwaaide en brugklassers mee liet struikelen.
  Nu richtte hij zich met behulp van die stok in volle lengte op en verklaarde dat hij zich beschikbaar stelde als maarschalk voor het rode team. In de chaos hierna belandde ik op de een of andere manier in het blauwe team, dat natuurlijk geleid werd door de Beul.
  Ik koortsige stemming trokken we een naar een open plek in het bos.
  Het was volle maan, op een heuveltje ging de tactiek-bespreking van de Beul volledig langs me heen. Twintig meter verderop stond Carel op een rotsblok met zijn armen te zwaaien, de maan scheen op zijn zwarte haar, zijn team zat in kleermakerszit om hem heen.
  Ik kreeg een kaartje in mijn hand gedrukt waar 'Sergeant' op stond. Even later struinde ik door het krakende bos, ik was mijn teamgenoten in het donker meteen al kwijt geraakt. Ik doolde zeker een uur op goed geluk wat rond, tot ik in de verte een aspuntje zag gloeien. Ik sloop naderbij, het was Carel, hij zat onderuitgezakt tegen een boomstronk en staarde naar een blauw lapje stof.

  'Gefeliciteerd.' Ik ging naast hem op de grond zitten. 'Heb je toch nog gewonnen.'
   Carel schudde zijn hoofd.
  'Ik weet niet of dit zo'n overwinning is.'
  'De Beul wordt woest.'
  Hij knikte, leek nog even wat te overwegen en gooide het blauwe lapje toen naar mij.
   'Geef maar aan je aanvoerder. Hij heeft het harder nodig.'
  Uit een binnenzak haalde hij nu ook de rode vlag tevoorschijn.
  'Het spel is afgelopen', verklaarde hij plechtig en stak me ook dit lapje stof toe. 'Jullie hebben gewonnen.'
    Ik nam de vlag van hem aan, stak ook een sigaret op. We rookten en luisterden naar het bos. Af en toe leek er geritsel onze kant op te komen, maar het was steeds vals alarm. Nu ik me voor het eerst in vijf dagen echt ontspande, voelde ik pas hoe moe ik was.
 
  'Op mijn vorige school was er ook een Beul,' verbrak Carel de stilte. 'Meneer Meitzer heette die man. Leraar Duits. Op een dag kwam ik naar zijn klas met een stropdas versierd met hakenkruisjes. Dat was na een maandenlange loopgravenoorlog. De volgende dag was hij ziek, en de dag daarop ook. Hij kwam de rest van het jaar niet meer terug en ik werd van school geschopt.'
  Hij schudde zijn hoofd, schoot zijn gedoofde peuk weg.
  'Het probleem is dat er altijd wel een Meitzer is. Iedereen wil iemand overwinnen. Iedereen wil het gevoel hebben dat de boel onder controle is. Maar toen ik gisteren boven het water aan een touw hing, kreeg ik een inzicht. Het is flauwekul. Al die oorlogjes. Meitzer, Beul. Baas, Manager. Overal vaders, en overal zonen die daar weer tegen ingaan. Ik hang mijn knots bij deze aan de wilgen.'
 
  Het volgende schooljaar kwam hij met een keurig geknipt koppie opdagen, zijn lange paarse jas ingeruild voor een gestreken overhemd. Hij deed examen in twaalf vakken en ging iets technisch studeren. Jarenlang hoorde ik niets meer van hem, totdat ik op een ochtend, liggend in bed met een kater van een afstudeerfeest, de tv aanzette.
  Een vrouw keek ernstig in de camera, er was onrust in de Balkan, misschien dat het Nederlandse leger in actie ging komen.
   'Moeten we ons zorgen gaan maken?' vroeg ze aan haar studiogast.
  De camera zwenkte naar Carel, die vriendelijk glimlachte. 'Militair strateeg' stond er onder zijn naam in beeld.
  'Laten we proberen rustig te blijven,' zei Carel. 'Laten we inzetten op de-escalatie.'
  Ik knikte en knipte de tv weer uit.
  'Wordt het oorlog?' vroeg een schorre meisjesstem vanonder het dekbed.
  'Geen idee,' zei ik. 'Maar zo te horen heeft J. Carel alles onder controle.'

maandag 20 januari 2020

Even met je kop schudden

RGB Free, by Lusi
Het boekje Schaduwkind van P.F. Thomése heb ik lang weten te ontwijken. Ik ben een fan van Thomése, maar niet van dode kinderen. Ook hou ik niet van boeken over dode kinderen, dode  echtgenoten, dode vrouwen of dode huisdieren.

  Het boekje heeft echter geduldig zijn kans afgewacht en me uiteindelijk toch besprongen, vanuit de boekenkast in een half leeg geruimd huis, als een drenkeling die zich aan een voorbijdrijvende plank vastgrijpt.
  Thomése verloor zijn dochtertje toen het een paar weken oud was en heeft met Schaduwkind een kleine honderd pagina's aan korte stukjes over zijn rouw geschreven, wat vrij inzichtelijke stukjes zijn over rouw in het algemeen en over de manier waarop mensen daarmee omgaan.
  Scherp is bijvoorbeeld de observatie dat mensen die er wat verder van afstaan, het drama zo snel mogelijk af willen sluiten:

  Overal worden er deuren van troost zachtjes achter me dichtgetrokken: cynische deuren, ontroerende deuren, afstandelijke deuren, herkenbare deuren, berustende deuren, vergeetgrage deuren, ontkennende deuren, interessante deuren, voorzichtige deuren, superieure deuren, dooddoenersdeuren.

  Dit lijkt me een correcte observatie: de meesten mensen zijn gek op 'afsluiten', ergens 'overheen komen' en 'dingen een plekje geven'. Je zou dit typisch 'menselijk' kunnen noemen, ware het niet dat het juist typisch dierlijk is.

  De bel gaat: er komt een vreemde ons huis binnen. Mijn kat vliegt in doodsangst achter de verwarming, met grote ogen volgt ze het gevaar: een loodgieter met overgewicht. Tijdens zijn bezoek zit ze opgerold als een bolletje, klaar voor de ultieme vlucht of de aanval.
  Als de man is verdwenen, komt ze na tien minuten aarzelend weer tevoorschijn. Ze ruikt nog wat argwanend hier en daar, dan schudt ze even met haar kop. Een minuut later ligt ze heerlijk te slapen.
  Als ze diezelfde avond met een spartelende vlinder binnen komt rennen, pak ik die van haar af. Ik gooi de vlinder uit het raam. Ze staart een halve seconde naar het gat waar haar geliefde prooi in verdwenen is en rent dan weer naar buiten.
  Wat ze niet doet: de hele avond verbeten aan een opiniestuk werken waarin ze betoogt dat loodgieters een gesel voor de samenleving zijn. Ook schrijft ze geen droevige gedichten over heerlijke vlindertjes die totaal onnodig van haar worden afgepakt door wrede baasjes die haar behoeftes niet begrijpen.
  In een openbare brief aan Thomése schreef Arnon Grunberg over Schaduwkind:

  [...] bij herlezing van uw boek maakt ontroering plaats voor verbazing. Een kind verliezen is erg, maar is het zo erg?

  Grunberg vindt dat Thomése een beetje overdrijft. Maar Grunberg lijkt me dan ook een man die beter in staat is om even met zijn kop te schudden. Dat is trouwens iets wat je al af kan leiden aan drie willekeurige regels van Grunberg, terwijl drie regels Thomése genoeg zijn om te weten dat die vlieger voor hem niet opgaat.
  De biografie van beide schrijvers enigszins kennende zou ik zeggen dat dit waarschijnlijk komt doordat Grunberg zijn halve jeugd door loodgieters is achtervolgd, terwijl er nergens een verwarming was om achter te schuilen. Maar dat is dan weer typisch menselijk gepsychologiseer.

donderdag 25 juli 2019

Waarheid

RGB Free, by criscris1
Aan het water van de plas zit een gabber een joint te draaien. Hij heeft een gabber-vriendinnetje en ze draaien  gabbermuziek: 'boem boem boem'.

  Ik zit ook aan het water en lees het boek 'De acht bergen' van Paolo Cognetti. In dat boek is het steenkoud. Dat ik het koud heb wanneer ik het lees, dat mijn voeten wegzakken in metersdiepe sneeuw en dat ik ademvlokjes voor me zie, zegt iets over de kracht van het boek.
  Het is een goed boek, omdat het vol waarheid zit, wat iets anders is dan werkelijkheid.
  In de werkelijkheid zit een gabber aan de waterkant met zijn vriendin een joint te roken, maar wat moet je daar verder mee? 
  In het boek blijft een man op een berg zitten, omdat hij nu eenmaal een bergbewoner is, en laat zijn vrouw en kinderen naar het dal vertrekken, omdat hij niet anders kan.
  Cognettti heeft die man via de lijnen van zijn plot zo door zijn verhaal zitten schuiven, dat hij is uitgekomen bij een stukje onweerlegbare waarheid.
  Het is net zo onvermijdelijk als het feit dat de dennenappels om me heen weer naar beneden komen vallen, als ik ze de lucht ingooi.
  De schrijver ontleedt, de natuurkundige meet en beide komen ze bij een stukje waarheid uit. 

   Het kan niet anders, of er zit in de roodverbrande rug van die gabber, zijn vriendin met haar opgeschoren koppie en zijn boem-boem muziek ook een stukje waarheid verborgen.
 
  Om het eruit te tikken, moet het vlees wel eerst woord worden.
 
  Driehonderd pagina's moet iemand aan hem gaan trekken en duwen, misschien moet zijn vriendinnetje akelig aan haar einde komen.
  Dan zullen we eens zien uit wat voor hout onze gabber gesneden is.
  Maar voorlopig is het daar veel te warm voor en komt hij weer goed weg, onze stonede kaalkop.