Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen

vrijdag 27 februari 2026

Gruzielement

In De ziel. Een cultuurgeschiedenis bespreekt Ole Martin Høystad de veranderende blik op de ziel in de Westerse geschiedenis, van de schimmen in de Hades bij Homerus tot de ‘ziel als taal en beeld’ bij Wittgenstein. Ergens halverwege dit parcours komen de ‘bundeling percepties’ van de Schotse filosoof David Hume voorbij. 
  
  Dat het boek hierna nog ruim 250 pagina’s doorgaat is eigenlijk overbodig, aangezien Hume het raadsel in de achttiende eeuw al heeft opgelost.
  Hume stelt dat het ‘persoonlijke zelf’ niets anders is dan een ‘bundle of perceptions’, niets meer dan een stimulus-respons-schema, en het idee van een zielsubstantie is volgens Hume dan ook ‘absolutely unintelligible’.
  Dat Hume in de achttiende eeuw al tot een hypothese komt die ruim tweehonderd jaar later door neurocognitief onderzoek wordt bevestigd, is vrij indrukwekkend, zeker gezien het feit dat hij dit bedacht in een tijdperk waarin het Christelijke idee van een onsterfelijke ziel nog alomtegenwoordig was.
 
  Waarschijnlijk gelooft nog steeds een groot deel van de mensen in zoiets als een vastomlijnde, onveranderlijke ziel die na de dood blijft bestaan. 
  In een moderne boekenreeks als Harry Potter speelt dit denkbeeld zelfs een cruciale rol. De slechterik uit deze serie, de boze tovenaar Lord Voldemort, heeft zijn ziel in zeven delen gesplitst. Op die wijze hoopt hij onsterfelijk te worden, want als een stukje vernietigd wordt, blijven de anderen gewoon bestaan. Hij betaalt echter een grote prijs voor het maken van deze ‘horcruxes’, in het Nederlands heel aardig vertaald als ‘gruzielementen’. 
  Om een horcrux te maken moet je iemand vermoorden, het is zwarte magie die ervoor zorgt dat je zowel letterlijk als figuurlijk je ziel kwijtraakt, je verandert in een soort ‘ondode’, niet levend en niet dood, een beetje zoals die schimmen bij Homerus.
  Het is een beeldtaal die er anno 2026 nog steeds ingaat als koek, een bewijs van de onverwoestbaarheid van het idee ‘ziel’. En die horcruxes van J.K. Rowling vinden hun weg zelf ook weer in het culturele veld, bijvoorbeeld bij folksinger Jesse Welles, die zingt:

all cut up like a horcrux
all torn down, just goin’ around
boo-hoo


woensdag 7 januari 2026

Dammen opwerpen

Afgelopen weekend werd ik op de Vughtse radio geïnterviewd over mijn dorpsdichterschap, het gesprek is hier terug te luisteren. Het ging onder meer over de vraag: wanneer is een gedicht af? Een vraag die je kan uitbreiden tot: wanneer is een gedicht goed?
  
  Ik moest daar weer aan denken toen ik wat teksten van de filosoof Adorno zat te lezen. Zijn Minima Moralia is een verzameling van 152 korte, afgeronde bespiegelingen over 'het beschadigde leven', in de ruimste zin van het woord. Over schrijven schrijft Adorno in bespiegeling 51 ('Achter de spiegel'):

[... zelden is het afzonderlijke woord banaal. De afschuwelijkste clichés zijn eerder combinaties van woorden [...] geheel en al, door dik en dun [...] in die woordcombinaties kabbelt de trage stroom van de verschraalde taal, in plaats van dat de schrijver door precisie in het uitdrukken er dammen tegen opwerpt die onontbeerlijk zijn, wil taal tot bloei komen. 

Dit lijkt me een hele aardige maatstaf om poëzie mee te beoordelen. Met name die 'trage stroom verschraalde taal' is een fenomeen dat je vaak bij amateur-dichters tegenkomt. Zo zwoegde ik me onderweg naar de radiostudio door een taai winterlandschap heen. Een landschap dat bij veel mensen gevoelens losmaakt, waaronder mensen met poëtische neigingen. Ik citeer enkele strofen uit verschillende recent geplaatste gedichten op gedichten.nl:

Zonnestralen breken voorzichtig
door de wolken, hun licht streelt bevroren
takken en glinstert op het ijs. Mijn gedachten worden
meegevoerd door de stilte, elke ademhaling een gesprek met de winter.


Langzaam komt leven op gang
op nu verstijfde vaarten.
De dag neemt zijn eigen
winterse tempo aan
met uitgestorven velden.


Maanlicht over het droomland
flirt verlegen met een waarheid
een ander palet in tijdloos gaan

een witte serene maagdelijkheid
geeft kennis van een eigen stijl
woorden herhalen zich onhoorbaar


Met name de eerste twee strofen vallen onder de 'trage stroom verschraalde taal' van Adorno: zonnestralen die door wolken breken, uitgestorven velden, leven dat langzaam op gang komt. Je hebt het al honderd keer eerder gelezen. De laatste strofe valt onder een andere categorie die ik vaak bij collega-amateurs tegenkom: de diepzinnig klinkende vaagtaal. Wat betekent 'een ander palet in tijdloos gaan'? En wat zijn woorden die zich 'onhoorbaar herhalen'? 
  Probleem bij de tweede valkuil is dat je toch steeds een beetje twijfelt: is dit wartaal, of ontgaat mij gewoon de diepere betekenis? 

Laten we voor het contrast een gedicht van een professional erbij pakken. 'Park in de winter', door Bertus Aafjes:

Het park ligt wijd en zijd onder de sneeuw
en rond de zwarte groeve van de takken
zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
De kleine vijver is inktzwart en stil,
als hoedde hij een kleinodie, het slijk.
De zomerboot, een dodenbark gelijk,
ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil

  Eerlijk is eerlijk: een park dat 'wijd en zijd onder de sneeuw ligt', houdt ook niet over. Maar al snel wordt het interessanter. Die meeuw die vliegt als een lassoworp is al heel aardig, maar de uitsmijter is die zomerboot als dodenbark. 
  Het bootje dat onder een warme zon zo'n gezellige aanblik bood, is in het seizoen van de dood zwart en stil geworden. Het is alleen nog voor te stellen als middel om gestorvenen naar hun laatste rustplaats te brengen. Daarbij is 'dodenbark' ook een mooi archaïsch woord, dat meteen beelden oproept van een stemmig glijdend bootje, sneeuw die dwarrelt, een weduwe met een van rouw verstijfd gelaat die de winterwind trotserend op de achterboeg zit. 

  Dat is dus een verschil tussen matige en sterke poëzie. Blijft nog over het fenomeen dat veel mensen die amateur-gedichten prachtig vinden en niet onder de indruk zijn van zo'n gedicht van Aafjes. Dit fenomeen is uitgebreid geanalyseerd door de schrijver C.S. Lewis
   Volgens Lewis vinden veel mensen cliché's juist heel prettig, omdat ze de lezer het 'werk van het waarnemen' besparen. Iemand die in de trein een pulp-detective zit te lezen, stoort zich er niet aan als de boef wordt omschreven als 'iemand die zijn eigen moeder nog zou verkopen'. Zo'n cliché zegt niets anders dan dat de boef een boef is, wat de lezer al weet. Hij hoeft zich niet in moeilijke psychologie te verdiepen of metaforen te verwerken. De boef is een boef, door naar de volgende zin die eigenlijk niets vertelt, en zo sjeest de lezer een 'spannend' boek door, dat hij na twee dagen weer compleet vergeten is. 
  
  Op dezelfde wijze vinden veel mensen het waarschijnlijk wel prettig om te lezen over 'uitgestorven velden met een deken van sneeuw'. Het is zo'n afgesleten beeld, dat de meeste lezers er waarschijnlijk niet eens meer een beeld bij hebben. In feite lezen ze: 'het is winter'. Ze kijken naar buiten en verdomd: het is inderdaad winter. Dat kan zo'n dichter toch maar knap verwoorden. 

donderdag 6 april 2023

Toespraak

Wikimedia
Nadat gisteren tijdens Feyenoord-Ajax een aansteker tegen het hoofd van Davy Klaassen werd gegooid, stapte John de Wolf naar voren om het Feyenoord-publiek tot de orde te roepen. Hoewel De Wolf zijn best deed ('gebruik je verstand godverdomme'), vond ik het toch een beetje een gemiste kans. Als er één moment was om een volle Kuip vol doorgesnoven Tokkies optimaal te verwarren, dan was het nu wel.
 
  'Mensen,' had John de Wolf bijvoorbeeld kunnen zeggen, 'zijn jullie soms vergeten wat de grote filosoof Thomas Hobbes in De Cive heeft geschreven? "De mens is voor de mens een doortrapte wolf." Zoals jullie weten verwees Hobbes hiermee naar het Latijnse gezegde "Homo homini lupus", waar Seneca dwars tegenin ging met zijn "Homo res sacra homini, oftewel "De mens is iets heiligs voor de mens." 
  En zo is het ook, beste Feyenoordsupporters! Hebben wij ons duizenden jaren lang gecultiveerd, om te eindigen op een voetbalveld met een bloedende Davy Klaassen? Beseffen jullie dan niet dat voetbal de gesublimeerde bloeddorst is van onze wolvennatuur? Dat we op het voetbalveld onze agressiviteit en dwang tot dominantie omvormen tot pure kunst?
   Dat ik me vastbeet in Dennis Bergkamp zoals een wolf in zijn prooi, maar dat de scheidsrechter daarbij altijd de grens bepaalde? Dat de werkelijk sterke mens vooral ook sterk tegenover zijn eigen impulsen is, zoals Nietzsche zo eloquent heeft verwoord? Gebruik je verstand, mensen! Blader thuis Thomas Hobbes nog eens door, verfris je kennis van Seneca en kom zondag maar weer terug.'

  Zoals gezegd, een gemiste kans. 

zondag 1 april 2018

Angst

RGB Free, by germangirl
Hoe zat het ook alweer met die erfzonde, waar Christus voor gestorven zou zijn? Adam mocht in het paradijs van alle bomen eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad:

Wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven

Wat hierbij meteen opvalt, is dat God Adam in soort catch-22 vangt: God geeft Adam een verbod, maar om aan de verbod tegemoet te komen, zal Adam eerst moeten weten hoe het precies zit met geboden en verboden.
  En dat weet hij dus nog niet, want hij heeft nog niet van de boom van de kennis van goed en kwaad gegeten.

  Een fraaie analyse van wat er precies gebeurde daar in het paradijs, wordt door Kierkegaard gegeven in zijn 'Het begrip Angst. Een eenvoudige psychologische meditatie, die heenwijst naar het dogmatische probleem van de erfzonde.'

   Om te beginnen is ook Kierkegaard de catch-22 niet ontgaan:

  'Wanneer dus in Genesis wordt verteld dat God zeide tot Adam: 'Alleen van de boom der kennis van goed en kwaad zult ge niet eten...' dan spreekt vanzelf, dat Adam dit woord eigenlijk niet begreep; want hoe zou hij het onderscheid tussen goed en kwaad begrijpen, daar dit onderscheid eerst na het eten voor hem bestond.'

  Kierkegaard schetst Adam als een dier, dat langzaam de geest krijgt. Geest hangt bij Kierkegaard samen met angst: geest is het besef bij het ontwakende dier dat er naast een lichamelijke dimensie, ook een psychische dimensie is.
  Het dier is alleen maar lichaam en daarom altijd onschuldig: het heeft geen kennis (van goed, kwaad, of wat dan ook.)
  Maar de mens ontwaakt, en dit ontwaken is een wakker worden in een peilloze leegte: het ontwakende dier weet dat er iets te weten valt, maar het heeft geen idee wat er allemaal te weten valt:

  Heel de werkelijkheid van het weten slaat neer in de angst als het griezelige niets van de onwetendheid

  Persoonlijk vind ik dit een behoorlijk sterke analyse van het begrip angst (wat iets anders is dan vrees).
  Maar hoe hoe zit het dan met Adam en zijn appel? Volgens Kierkegaard heeft angst altijd ook een aantrekkende kant:

  Wanneer men wil letten op de kinderen zal men deze angst nader aangeduid vinden als een zoeken naar het avontuur, het griezelige, het raadselachtige.

  Het niets van de onwetendheid boezemt angst in, maar trekt ons tegelijkertijd aan, dat hele domein van de psyche is niet alleen raadselachtig, het draagt ook de belofte van vrijheid in zich. En dat is precies wat er gebeurde toen God tot Adam 'sprak'. Van deze woorden begreep Adam niets, hij was als een dier waar je een dreigende toon tegen aanslaat:

  ...sterven, daarvan begrijpt Adam natuurlijk niets; niets belet echter - wanneer men aanneemt, dat dit tot hem gezegd is - dat hij de voorstelling van iets verschrikkelijks krijgt.

  De geestelijk ontwakende Adam, vol angst voor alles waar hij niets vanaf weet, heeft in ruil voor niets een 'raadselwoord' gekregen. Er is 'iets' wat hij niet mag doen. Maar als hij het niet mag doen, zou hij het dus ook wel kunnen doen: in Genesis zien we hoe een ontwakende aap zijn vrijheid, zijn angst en zijn schuld ontdekt. 

vrijdag 2 februari 2018

Kever

RGB Free, by HISKS
De Vlaamse tv-journalist Boudewijn van Spilbeeck gaat voortaan als vrouw door het leven. Dit was voor René van der Gijp reden om ook een blonde pruik op te zetten, en reden voor mij om Wittgensteins 'Beetle in a box'-analogie over subjectieve ervaringen weer eens op te zoeken:

    Iedereen heeft een kevertje in een doosje (ons gevoelsleven), maar niemand mag in elkaars doosje kijken. Toch praten we de hele dag over kevertjes (zoals 'pijn', 'verliefdheid' etcetera), zonder dat we weten wat er in al die doosjes zit, of dat er überhaupt iets inzit.

  Boudewijn voelt zich blijkbaar 'een vrouw'. Maar wat betekent dat eigenlijk? Hoe weet Boudewijn hoe vrouwen zich voelen? Boudewijn weet alleen hoe Boudewijn zich voelt. Stel je voor dat Boudewijn zegt: 'Ik ga voortaan als Johan Derksen door het leven. Ik plak een snor op en ik laat mijn haar groeien, want ik voel me diep vanbinnen een Johan Derksen.'

  Dan zou iedereen hem voor gek verklaren.

  Ik heb geen idee hoe het is om Johan Derksen te zijn. Ik heb geen idee hoe het is om 'een vrouw' of 'een man' te zijn. Ik weet alleen maar hoe het is om mezelf te zijn, een ervaring die ik helemaal nergens tegen af kan zetten.
  Toch is Boudewijn van Spilbeeck op raadselachtige wijze tot de conclusie gekomen dat hij een verkeerd kevertje in zijn doosje heeft zitten. Hoe is hij daar in vredesnaam achter gekomen, als hij nooit in iemand anders z'n doosje heeft kunnen kijken?

woensdag 8 juni 2016

Over literatuur, lectuur, meerkoeten en Gerard Reve

RGB free, by TACLUDA
Hoe is het leven op aarde begonnen? De huidige wetenschappelijke inzichten spreken van een RNA world: zo'n 4 miljard jaar geleden is een RNA-molecuul (laten we hem Adam noemen) zichzelf door stom toeval gaan repliceren. De kopieën van dit RNA-molecuul deelden zich ook weer: een blind proces dat ooit spontaan op gang is gekomen en nooit meer is opgehouden.
  Het aardige is nu dat sommige van die kopieën dankzij spontane mutaties eigenschappen kregen waardoor ze zich nog efficiënter gingen delen dan hun broertjes en zusjes, en zo is een survival of the fittest-situatie ontstaan.

  Ik moet vaak aan het eerste delende RNA-molecuul denken als ik in het parkje naar een familie meerkoeten zit te loeren. Wat zijn die meerkoeten anders dan RNA-moleculen met vleugeltjes, oogjes en een bek? De natuurlijke selectie heeft er gedurende miljarden jaren voor gezorgd dat er allerlei fantastische kopieën zijn ontstaan met eigenschappen die ervoor zorgen dat ze zich uitstekend repliceren.

  De meerkoet is zo ontwikkeld, dat hij voor zijn eigen kopieën gaat zorgen. Vader en moeder meerkoet zwemmen bezorgd rond hun kroost, corrigeren het als het te ver weg dreigt te zwemmen, voederen het.
  Door natuurlijke selectie hebben sommige replicaties zelfs een gevoelswereld gekregen: situatie A wordt door het geavanceerde RNA molecuul geprefereerd boven situatie B.
  Wat ervaart het spinnetje dat over de tafel loopt wanneer je hem een duwtje geeft?
  Ik zou zeggen: bijna niets. Maar wel iets: 'hij vindt het niet prettig', ben je geneigd te zeggen. Hij maakt als een dolle rechtsomkeert.
 
  Die meerkoet-ouders denken waarschijnlijk niet bij zichzelf: 'Verdomme, daar gaat Eppo weer. Waarom kan hij niet eens luisteren?'

  Als ik me hun ervaringswereld probeer voor te stellen, dan zie ik een vage, mistige wereld voor me, waarbinnen ze een gigantische aandrang voelen om vage, mistige brokjes naar binnen te werken, dan wel te voeren, dan wel een tik te geven.
  Ze hebben geen idee waar ze mee bezig zijn, maar ze kunnen zichzelf niet helpen. De aandrang om zich op een bepaalde manier binnen die vage soep van geuren, geluiden en beelden te bewegen is overweldigend. Van binnen is er door blinde affecten gestuurd gedrag, dat er van buiten uitziet als weloverwogen familie-management.

  Dit lijkt me niet uniek voor meerkoeten.

 Bekijk eens foto's van twintig jaar geleden. Wat je op die foto's ziet, komt maar zeer globaal overeen met hoe je het van binnenuit ervoer.
  Op de foto's is alles zo rustig.
  Vanbinnen was het chaos. 
  En dan heb je nog wel een mensenbrein, kan je voorstellen hoe het voor zo'n meerkoet moet zijn.

  Dat essentiële verschil tussen binnen en buiten lijkt me aan de basis te liggen van een van de cruciale verschillen tussen literatuur en lectuur.
  'Ik word door Nederlandse critici in de hoek van de amusementslectuur gestopt', moppert Tim Krabbé vaak. Ik las laatst 'de Grot' van Krabbé, en ik denk dat ik wel begrijp waar die classificatie vandaan komt.
  Krabbé kan goed schrijven. Hij kan een plot in elkaar knutselen, een stad tot leven brengen, een personage uittekenen.
  Maar het blijft buitenkant. Er blijft afstand, je komt nooit echt dichtbij. Vergelijk je het met schrijvers als Gerard Reve of Oek de Jong, dan zie je waar het verschil in zit: zij kruipen veel dichter op de huid van hun karakters.
  Zij houden het niet bij scherpe observaties van hun personages, bij wat gevatte psychologische inzichten.
  Zij kruipen daadwerkelijk de meerkoet in.
  Zij beschrijven hoe de meerkoet het leven zelf ervaart, tot in het kleinste detail, met alle warrigheid, misvattingen, waanbeelden, hysterische emoties en zeldzame momenten van helderheid die daarbij horen.  
  Ze springen heen en weer: van binnen naar buiten, van beschrijving naar directe ervaring, van objectiviteit naar subjectiviteit.
 
  Dat maakt het lezen van literatuur vaak ook zo'n ontregelende, dan wel inzicht gevende ervaring.
 
  Iemand als Krabbé tekent in geuren en kleuren uit hoe een mensen-familie zich gedurende een dagje in het park gedraagt. Reve laat van binnenuit zien dat diezelfde mensen niet veel meer zijn dan door affecten gedreven veredelde RNA-moleculen met een zeer wankele grip op de werkelijkheid, die de helft van de tijd van voren niet in de gaten hebben dat ze van achteren leven.

vrijdag 29 april 2016

Zoektocht

RGB Free, by tzooka
Gisteren was er een bijzonder weinig verhelderend item tijdens Nieuwsuur over de zogenaamde publieksfilosofie. Aangezien er niet echt duidelijk werd gemaakt wat het verschil tussen publieksfilosofie en 'academische' filosofie nu precies is ga ik daar zelf maar een poging toe doen.

  Academische filosofie heeft als doel de waarheid te achterhalen. Hoe steekt de wereld in elkaar? Wat is de relatie tussen de werkelijkheid, de taal die wij gebruiken om haar te beschrijven en de gedachten die we erover vormen? Is de werkelijkheid überhaupt wel kenbaar?

  Dat soort werk.

  Publieksfilosofie leek me aan de hand van het item vooral te draaien om persoonlijke ditjes en datjes. Ben ik wel gelukkig in mijn werk? Hecht ik niet teveel belang aan maatschappelijk succes? Bestaat de ware liefde wel?
  Interessante vragen, maar met filosofie hebben ze vrijwel niets van doen. Ik zou dat soort mijmeringen eerder scharen onder 'levensbeschouwing' of 'persoonlijke zingeving'. De motieven om aan beide disciplines te gaan doen lijken me ook zeer verschillend. De filosoof verschilt nauwelijks van de exacte wetenschapper: hij wil gewoon weten hoe het in elkaar zit. De filosoof wil de wereld steeds scherper in het vizier krijgen, zich van zoveel mogelijk vertroebelende waanideeën ontdoen totdat er niets anders overblijft dan de barre, kale en messcherpe woestijn van de realiteit.

  De 'publieksfilosoof' lijkt vooral een beetje kribbig te zijn. Hij zit niet helemaal lekker in zijn vel, vindt de maatschappij wat gejaagd, of wat zinloos, of wat te veeleisend. En gaat vervolgens eens een beetje rondneuzen bij Alain de Botton en aanverwante heilspredikers om een bevestiging te krijgen van het feit dat de wereld verkeerd bezig is, dat hem zelf weinig te verwijten valt en dat het echt 'filosofisch' volkomen hout snijdt om drie dagen in de week te gaan werken.

  Ik zou dan zeggen: ga gewoon lekker drie dagen in de week werken omdat je daar zin in hebt en als je je hersens echt eens wil laten kraken pak je Kant uit de kast. Moet je je alleen wel even over de obsessie met alles wat zich binnen de lengte van je eigen neus bevindt heenzetten.

dinsdag 30 juli 2013

Maggie's Farm: over Nietzsche, Dylan en rekbare weerstand

Friedrich Wilhelm Nietzsche painted portrait _DDC1516
Foto: flickr, by Abode of Chaos
In sectie vijf van deel één van Nietzsches Human, all-too Human, schrijft de filosoof met de hamer het volgende: 'Strength or weakness in intellectual productivity depends much less on inherited gift than on the inborn amount of resilience.'

Resilience is een interessant woord, zeker wanneer het wordt toegepast op het werk van de anti-intellectueel Bob Dylan. Ik weet niet welk woord er in het Duitse origineel staat, maar uit het vervolg van de passage wordt wel duidelijk wat Nietzsche met dit woord bedoelt. Om een intellectuele prestatie te kunnen leveren, moet de zoon eerst alle culturele bagage van de vader verteren, om het vervolgens nog een stapje verder te kunnen tillen.
  Resilience betekent in deze context: incasseringsvermogen, het vermogen om in korte tijd bakken (culturele) informatie te kunnen verteren, alles wat er voor jouw tijd bedacht en geschreven is verwerken, zodat je vanaf die springplank je eigen sprong kunt maken.
  Interessant genoeg betekent resilience echter ook: weerstand, veerkracht. In de psychologie wordt het begrip gebruikt om aan te geven in welke mate iemand na moeilijke omstandigheden weer 'terug kan veren.'

  Beide begrippen zijn op Dylan uitstekend van toepassing. In zijn jonge jaren ging hij als een waanzinnige door een eeuw aan muzikaal erfgoed heen, hij zoog de blues, folk en poptraditie op alsof zijn leven ervan af hing. In meerdere biografieën trekken vroege vrienden de vergelijking met vloeipapier: hij zoog haast automatisch elke noot op die hij hoorde, als een spons bewoog hij zich door de muzikale geschiedenis.
  Maar ook de tweede betekenis van resilience is uitermate Dylaniaans: zijn weigering om zich aan één enkele stroming of sound te verbinden, zijn bijna pathologische neiging om elk labeltje al bij voorbaat te verscheuren, zijn legendarisch.
  De twee betekenissen van die volgens Nietzsche zo belangrijke resilience komen bij Dylan samen op 25 Juli 1965. Al een paar jaar was hij de poster-boy van de nieuwe folk beweging, op wonderbaarlijk jonge leeftijd had hij zich een compleet vocabulaire eigen gemaakt en verrijkt met zijn eigen akoestische liedjes. En nu was het tijd om de zaak weer op te blazen. Op het Newport Folk Festival plugt hij zijn elektrische gitaar in om, onder andere, Maggie's Farm te spelen. Een klap in het gezicht van alle pure folk-liefhebbers, maar Dylan is bijzonder duidelijk, hij heeft er even geen zin meer in:

Well, I try my best
To be just like I am
But everybody wants you
To be just like them
They sing while you slave and I just got bored
I ain't gonna work on Maggie's farm no more




woensdag 5 december 2012

Bewijs

Foto: flickr, by minifig
Ik loop rond half zeven 's-avonds over het Janskerkhof in Utrecht. Ik ben op weg naar een college filosofie aan de Drift. Ik kom langs een kapperszaak die bijna helemaal leeg is, maar nog wel volledig verlicht. De enige persoon in de kapperszaak is de eigenaar. Hij staat achter een lege stoel, met zijn handen op de leuning. Zijn voeten staan naar achteren, hij leunt op de stoel, zoals een voetballer op zijn knieën leunt voor een elftalfoto. Hij kijkt intens in de spiegel.
  Het college gaat onder andere over Wittgenstein. Wittgenstein heeft ooit ergens gelezen dat in de Indische wiskunde een geometrische figuur met de woorden 'kijk hiernaar' een bewijs kan vormen. Argumenten zijn niet het enige bewijs, ook een beeld kan een bewijs zijn. Een beeld kan je de waarheid laten zien. Ik begin het idee te krijgen dat de kapper die ik een half uur geleden in zijn lege zaak in de spiegel zag staren stiekem een wiskundige figuur was die me de waarheid liet zien. Als ik weer langs de kapperszaak kom is het licht uit. De waarheid zit met een zak chips op de bank lekker voetbal te kijken en ziet hoe Ronaldo de Ajacieden weer eens tot kleuters degradeert.

zondag 15 april 2012

Vrijheid

Foto: flickr, by Laura Mary
In de Volkskrant staat dit weekend een interessant interview met Harvard-filosoof Michael Sandel. Het gaat over de ideologie van de vrije markt. De markt zou aantrekkelijk zijn omdat er een idee van vrijheid aan verbonden is. De markt oordeelt niet, maar laat ons zelf kiezen wat we willen. Volgens Sandel gaat daarmee een morele dimensie van het leven verloren. Dat is waarschijnlijk zo, maar ook de eerste stelling, dat de markt met vrijheid verbonden is, is volgens mij dubieus.

  Ik zag eens een mooie documentaire over een Duitse vrouw en haar dochter. De vrouw was in de oude DDR opgegroeid, achter het ijzeren gordijn. Haar tienerdochter was in westerse vrijheid opgegroeid. De vrouw liet haar dochter zien hoe het leven achter het gordijn was. Ze raakte ontroerd toen ze een pak wasmiddel zag: dat middel gebruikte alle families, zodat iedereen hetzelfde rook, net zoals iedereen in dezelfde auto reed en dezelfde gordijnen voor het raam had hangen.

De dochter gruwde hiervan, ze bleef maar door mekkeren over 'vrijheid': ik wil mijn eigen wasmiddel kiezen, riep ze, 'mijn eigen kleren, mijn eigen auto en mijn eigen gordijnen.' De dochter dacht dat ze in veel grotere vrijheid was opgegroeid dan haar moeder, dat ze meer een eigen 'identiteit'  kon ontwikkelen.
  Maar de tv liet iets anders zien: de moeder maakte een volstrekt autonome indruk, terwijl de dochter een soort hyperactieve MTV-kloon was. Ze droeg de kleren die alle meisjes van die leeftijd dragen, en sloeg teksten uit die alle meisjes van die leeftijd uitslaan.  De moeder leek zich achter de rust van het ijzeren gordijn tot een veel zelfstandiger individu ontwikkeld te hebben dan haar dochter die 24-uur per dag bekogeld wordt door MTV, Youtube en Nike, al haar gemekker over een eigen identiteit ten spijt.
  De markt zou weleens een veel grotere dwang op ons denken uit kunnen oefenen dan menig dictator dat kan.

donderdag 8 december 2011

Chagrijnig

Foto: flickr, by Aban Nesta
Eind oktober reisde ik af naar Amsterdam om Catherine Malabou te interviewen over onder meer het brein, vrijheid en de legitimiteit van de occupy-beweging. Het verslag is te vinden in het nummer van Filosofie Magazine dat nu in de winkels ligt.
  Ook in dit nummer: een interview van Arnon Grunberg met Marc de Kesel. Marc de Kesel, wie was dat ook alweer? Bij frequente lezers van dit blog gaat er wellicht een heel zacht belletje rinkelen: het was de man die Arnon Grunberg tot de conclusie verleidde dat de mens een imaginaire penis is, een conclusie die Grunberg vervolgens zo vriendelijk was in mijn exemplaar van Blauwe Maandagen neer te pennen.
  Arnon Grunberg, Marc de Kesel, Catherine Malabou: waar wacht je nog op? Ren naar de Albert Heijn, Bruna of betere boekhandel om die Filosofie Magazine aan te schaffen! Vind je het niks, dan wordt je er in ieder geval niet zo chagrijnig van als de Voetbal International van deze week.

zondag 26 juni 2011

Geld

Foto: flickr, by marttj
Dit weekend was ik in Leusden voor een filosofie-weekend: Arnon Grunberg interviewde zes denkers rond het thema 'Voorbij Goed en Kwaad.' Ik kwam evenzeer voor Grunberg als voor de Filosofie. In de lobby van de conferentiezaal lag zaterdagochtend een Volkskrant met op de voorkant de dagelijkse korte column van Grunberg. Ik las hem en vond hem erg geestig. Een half uur later kwam de schrijver in eigen persoon langs drentelen. Een lichtelijk vervreemdende ervaring: alsof je net Roodkapje gelezen hebt en de Grote Boze Wolf ineens tegen je ruit staat te tikken.
  Op een onbewaakt moment sloop ik van achteren naar Grunberg toe en zei: 'Meneer Grunberg.' Een beetje verschrikt keek hij op: wie moest er nu weer iets van hem? Ik vroeg of hij mijn exemplaar van 'Blauwe Maandagen' wilde signeren, wat hij deed. De rest van het weekend heb ik Grunberg vanachter potplanten en pilaren zo nu en dan steels geobserveerd. Als ik hem in één woord zou moeten omschrijven dan is het 'professioneel.'
  Avishai Margalit was één van de geinterviewden, hij bleek net als ik een dwaler. Meerdere keren kwam ik hem tijdens verloren momenten tegen terwijl hij diep in gedachten rond het hotel wandelde. Volgens Margalit moeten we goed nadenken over mensenrechten en ze niet te breed trekken: tijdens één van zijn wandelingen droeg hij een paraplu bij zich om zich te beschermen tegen de Nederlandse regen, maar hij betwijfelde of we van paraplu's een mensenrecht moeten maken.
  Op persoonlijk niveau zat het venijn in de staart: Grunberg interviewde Eric Schliesser, een filosoof en jeugdvriend van de schrijver, die hij in enkele van zijn openbare brieven een paar jaar geleden met de grond gelijk maakte.

  Schliesser leek er niet echt mee te zitten, of zijn heftige aanval op Paul Cobben, betreffende de al dan niet persoonlijke insteek van filosofie, moest sublimatie van agressie jegens Grunberg zijn geweest. Waarmee we op het terrein komen van Marc de Kesel, Belg en Lacan-deskundige. In zijn gesprek met de Kesel opperde Grunberg dat de mens glijmiddel is: we proberen de werkelijkheid binnen te dringen maar dat lukt niet, omdat ze onkenbaar voor ons als talige wezens is geworden. De Kesel antwoordde dat de taal het glijmiddel is: dat is de manier waarmee we de werkelijkheid proberen te penetreren. 'Dan is de mens dus de penis', zei Grunberg. 'Ja, maar de mens bestaat niet', antwoordde de Kesel, althans niet met een vast omlijnde identiteit, dat is een illusie. 'De mens is dus een imaginaire penis', luidde de conclusie van Grunberg in dit hoogstaande filosofische debat. Hier kon de Kesel zich wel in vinden en toen Grunberg vroeg wat hij in mijn exemplaar van Blauwe Maandagen moest zetten lag het antwoord voor de hand.
 
  Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik heb het sterke vermoeden dat ik in het bezit ben van het enige exemplaar van Blauwe Maandagen waarin Grunberg eigenhandig heeft geschreven: 'de mens is een imaginaire penis.' Als dat geen geld gaat opleveren weet ik het ook niet meer.

vrijdag 8 april 2011

Oorlog

Foto: flickr, by Christiaan Tonnis
Gisteren heb ik voor zeven euro een boekje gekocht dat door veel mensen beschouwd wordt als het grootste filosofische werk van de twintigste eeuw: de Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein.
  Het werk opent met stelling 1: The world is all that is the case en eindigt met stelling 7: What we can not speak about we must pass over in silence. Hiertussen probeert Wittgenstein een antwoord te formuleren op grote filosofische problemen als kenleer, ethiek en 'het mythische'. In zijn inleiding beweert Wittgenstein dat hij (1) definitieve antwoorden op veel filosofische problemen heeft geformuleerd en (2) heeft aangetoond hoe weinig er eigenlijk bereikt is als deze antwoorden gevonden zijn.
  'Je kan beter poëzie gaan lezen', schijnt Wittgenstein zijn studenten gezegd te hebben, 'daar leer je meer van dan van filosofie.'

  Nadat hij naar eigen zeggen alle filosofische problemen had opgelost ging hij lesgeven op een basisschooltje, alwaar hij de kinderen hogere wiskunde probeerde bij te brengen. Op een gegeven moment kwam hij echter tot de conclusie dat hij alle problemen misschien toch niet helemaal had opgelost en schreef hij zijn tweede grote werk, voor een groot deel een aanval en commentaar op het eerste. Niet alleen voetbal is oorlog, filosofie is het ook. En als er geen waardige tegenstanders te vinden zijn, dan verklaart de filosoof gewoon de oorlog aan zichzelf.

maandag 21 maart 2011

Vaag

Foto: flickr, by geminicollisionworks
In het kader van het vak 'wetenschapsfilosofie' dat ik volg, moet ik iedere week een column schrijven. Om die allemaal hier ook te plaatsen is ook weer zoiets, maar misschien is deze wel aardig. Het is een stukje fictie n.a.v. de film 'L'Annee dernière à Marienbad van Resnais, op youtube is deze film in tien stukjes te bekijken.

Het is een film uit 1961 uit de school van de Nouvelle Vague, met de nadruk op Vague. In de film verspringen perspectieven, lopen droom en werkelijkheid door elkaar heen, is het min of meer continu onduidelijk wat er precies gebeurt en hebben mensen de neiging om veelvuldig langs elkaar heen te praten en door ramen naar standbeelden te staren. Onderstaande column is een zeer vrije bewerking van de film,  ik heb geprobeerd verschillende belevenissen van hetzelfde moment weer te geven, maar vrees dat het toch wat minder vaag is geworden dan het origineel. Ook voor vaagheid moet je blijkbaar talent hebben.


Vorige Week in de Discotheek


Een jongeman zit op zijn zolderkamer achter een bureau te schrijven. Af en toe legt hij zijn pen neer om door het raam naar de vogels in de dakgoot te kijken. Dan zucht hij, verschijnt er een gelukzalige glimlach op zijn gezicht en hervat hij zijn werkzaamheden met hernieuwde energie.

‘Het duurde eindeloos. De lichten op de vloer, de muziek, de druipende kaarsen in de nissen. De dansende meisjes en jij die maar naar me lachte. We draaiden om elkaar heen als volleerde toneelspelers. Soms deed je alsof je me niet opmerkte, dan speelde ik het spel even mee. De lichten, de muziek, de druipende kaarsen. De hele avond rekte op, werkte toe naar dat ene moment. Je vroeg of ik een vuurtje had, je ogen fonkelden, de tijd breide zich uit tot een eeuwig nu, de tijd werd bijna tastbaar, vloeibaar, alsof je hem vast kon pakken en kon kneden, het was alsof we languit in de tijd konden gaan liggen en altijd al daar, in de muziek, omringd door de lichten, naast de druipende kaarsen, samen, wij met elkaar, altijd, altijd al waren geweest.

Na het vuurtje, na het eeuwige moment, draaiden we weer los en hernam de tijd zijn iets normalere gang. Maar de avond had zijn eigen verloop, ook daarna bleef alles rekbaar. Misschien had ik ook iets teveel gedronken, kwartieren duurden uren en dan was er weer ineens een uur verdwenen. We waren elkaars kosmische partners, het voelde alsof we altijd al samen waren en altijd samen zouden zijn, als die twee mensen in die prachtige film, L'Annee dernière à Marienbad.’

*

Een meisje zit op de rand van haar bed haar teennagels te lakken terwijl ze tegen haar schouder een roze mobieltje geklemd houdt. Ze praat tegen een vriendin, als de vriendin iets terug zegt mompelt ze en concentreert ze zich op haar tenen, als ze zelf aan het woord is blijft ze gedachteloos over dezelfde teen heen en weer strijken.

‘Nou, ik was gister nog even in de Grot. Saaie boel zeg. Helemaal geen leuke jongens, ik ben maar even gebleven. Ik had mijn rode topje aan, en die zwarte rok met die blauwe streep. Het was er veel te warm, met die vieze kaarsen die ze daar branden. Ik ben maar even gebleven, er was een freaky jongen die me maar aan bleef staren. Op een gegeven moment had ik er genoeg van, ik wilde op hem afstappen om te zeggen dat ik er genoeg van had, dat hij op moest donderen, maar op het laatste moment kreeg ik medelijden, van dichtbij was hij eerder zielig dan eng. Toen vroeg ik maar of hij misschien een vuurtje had. Ken je die film L'Annee dernière à Marienbad? Zo’n rare kunstfilm, ontzettend saai. Daar zit ook zo’n vreemde opdringerige vent in, daar deed hij me een beetje aan denken. Ik ben maar op tijd naar huis gegaan.’


*

Een jongen en een meisje zitten tegenover elkaar in een café. De jongen leunt over de tafel, het meisje zit met haar armen over elkaar en staart uit het raam.

‘Ik weet echt niet waar je het over hebt. Magische momenten, kaarsen, laat me met rust.’

‘We dansten en dansten, tussen de mensen door die voor ons uiteen weken, we raakten elkaar kwijt en vonden elkaar weer, je vroeg om een vuurtje en alles vertraagde.’

‘Je maakt me bang. Toen je belde wist ik niet eens wie je was, het is al een week geleden.’

‘Je speelt met me, waarom doe je dit?’

Het meisje drinkt haar cola op en maakt zich klaar om op te staan. De jongen legt zijn hand op haar arm, ze trekt hem terug en kijkt het café rond. Niemand lijkt te zien wat er gebeurd, mensen praten met elkaar, niemand kijkt in hun richting.

‘Ik wil je niet meer zien, het is niet gebeurd.’

Ze stoot de tafel om als ze opstaat, het halfvolle glas van de jongen rolt over de vloer, de cola sijpelt in het parket. Als het meisje het café uitgelopen is, glimlacht de jongen nog steeds.

donderdag 3 maart 2011

Feminisering

Foto: flickr, by rskoon
Sinds een maand volg ik via Studium Generale Utrecht een cursus wetenschapsfilosofie. Het thema van de cursus is 'tijd', acht weken lang wordt er vanuit verschillende vakgebieden door iemand een lezing over dit thema gegeven. Na een literatuurwetenschapper, een hersenwetenschapper en een geschiedkundige, was de beurt gisteren aan een natuurkundige. Ruim een uur lang sprak Prof. dr. Renate Loll over tijd, ruimte, de Big Bang, relativiteit, quantumtheorieen en andere zaken waar ik nauwelijks verstand van heb.
  Het was een ontzettend interessante lezing die de zaak inhoudelijk op scherp leek te zetten: waar bij de vorige drie lezingen vrijwel de hele zaal na afloop bleef zitten, wist gistereren de helft niet hoe snel ze weg moest komen. Zonder seksistisch te willen zijn, moet ik zeggen dat we hoofdzakelijk naar het wegstervende geluid van klikkende hakken zaten te luisteren, voordat het vragen stellen kon beginnen. Hierna was de man-vrouw verhouding in de zaal ongeveer fifty-fifty, dus je zou de stelling kunnen verdedigen dat als je de verregaande feminisering in de wetenschap tegen wil gaan, je meer over quantumfysica en de Big Bang moet gaan praten.

In het kader van de cursus moet je als student over iedere bijeenkomst een column schrijven, naast studiepunten is er zodoende nog een tweede prijs te winnen: de 'Wetfil Award' voor de beste column. Het is uiteraard mijn grote ambitie om deze award in de wacht te slepen, en de eerste stap is gezet: de column die ik schreef nav de lezing van Dick Swaab is genomineerd en is daarom hier te lezen. Het is de eerste mannelijke nominering, naast Renate Loll en de quantumfysica doe ook ik mijn best om een klein tegenwicht te bieden aan het vrouwengeweld..

vrijdag 14 januari 2011

Eer

Foto: Flickr, by alisharusher
Het aardige van het boek van Kwame Anthony Appiah, 'The Honor Code. How Moral Revolutions Happen' , dat ik niet gelezen heb, ik las er alleen een recensie in de Volkskrant over, is denk ik de aandacht die erin geschonken wordt aan eergevoel als psychologische drijfveer. Als ik tijd heb ga ik het zeker lezen, omdat ik denk dat  het een idee bevestigt dat ik zelf ook al een tijdje heb: (gefnuikt) eergevoel is veel vaker een onderliggende oorzaak van allerlei maatschappelijke ellende dan we beseffen.
 Ik bedoel dan niet alleen 'eerwraak' en dergelijke, maar ook het gewone huis-tuin en keuken eergevoel waar we allemaal behoefte aan hebben, en dat tegenwoordig niet zo makkelijk meer te verkrijgen is. Vroeger was het simpeler: als je een respectabele baan had, en je droeg een hoed, dan werd je op straat gegroet en was je een heer. Een eervol bestaan was niet zo heel ver weg. Toen in de jaren zestig de brave burgerman echter ontmaskerd werd als een fantasieloze droogstoppel, een schertsfiguur die zichzelf ook nog eens zonder morren aan het eerste de beste fascistisch systeem uit zou leveren, ontstond er een probleem.
 Gewoon naar je werk gaan en brood op de plank brengen, was niet genoeg meer voor het respect van je medemens. Je moest iets van je leven gaan maken. Tegenwoordig moet je minstens Idols twee keer gewonnen hebben en wekelijks aan de tafel van De Wereld Draait Door zitten, wil je enig respect genieten.
 Dus zitten we met een situatie waarin vijfennegentig procent van de mensen alleen tevreden met zichzelf kan zijn als ze iets kunnen wat per definitie maar vijf procent van de mensen kan. Je moet speciaal zijn, maar bijna niemand is speciaal. Daar zit naar mijn idee de pijn van de HBO-opgeleide systeembeheerder die elke dag vroeg naar zijn werk rijdt om daar in de pauze op GeenStijl de reaguurder uit te hangen. Doet ie verdomme elke dag z'n stinkende best, krijgt ie er nog niets voor terug. Ja, een beetje geld misschien, maar daar doet een man het niet voor.
 De ontvangers van al die scheldpartijen zitten ondertussen in hetzelfde schuitje. Mannen willen eer, maar jongemannen barsten al helemaal uit hun voegen. De Marokkaantjes die over onze straten struinen zijn kleine testosteron-bommetjes op zoek naar één ding: een mogelijkheid om te laten zien dat ze iemand zijn. En wanneer de gangbare manieren voor die jongens geen opties zijn (je profileren op de voetbalclub, de waardering van een goede opleiding, rocken in het schoolbandje), dan zoeken ze het wel ergens anders. Dan overvallen ze de buurtsuper wel, om te laten zien dat ze geen mietjes zijn.
 Zorg dat alle mannen in een land met een enigszins redelijke inspanning hun eergevoel kunnen bevredigen, en wel zo dat de rest van het land er in ieder geval niet al te veel last van heeft, en we zullen heel wat problemen armer zijn. Dat is in ieder geval mijn idee, nu dat boek van Appiah nog lezen. Als hij me gelijk geeft laat ik het onmiddellijk weten, zo niet dan hoort u er waarschijnlijk nooit meer wat van.

donderdag 23 september 2010

Nuttig

Jeremy Bentham (1748-1832) was een vroeg pleitbezorger van het Utilisme. Utilisten zijn van mening dat elke handeling beoordeeld moet worden aan de hand van één criterium: levert deze handeling het meeste nut op? Om dit idee ook nog na zijn dood kracht bij te zetten, liet hij een auto-icon maken: een pop die gevuld was met zijn eigen botten, gekleed in zijn eigen kleren en aanvankelijk ook met zijn eigen hoofd erop. Het nuttige van deze handeling zou er in zitten dat er op deze manier geen standbeeld van hem gemaakt hoefde te worden. Het auto-icon kreeg een plaatsje binnen University College London, bij de 100e en 150e verjaardag van de universiteit was Bentham op deze manier aanwezig bij vergaderingen: zijn aanwezigheid werd genoteerd als 'present but not voting.'

Inmiddels is het auto-icon weggehaald: de preservatie van het hoofd was niet helemaal gelukt en lag daarom aan zijn voeten. Dit leidde tot 'ongeregeldheden.' De studenten van Londen hadden een andere invulling van het begrip nuttig: in de gangen van University College werd het hoofd van Jeremy Bentham als voetbal gebruikt.

donderdag 1 juli 2010

Filosofisch

Gisteren was er een interessante documentaire over scheidsrechters op tv. Eén van de meer opzienbarende onthullingen vond ik dat de scheidsrechterswereld een wereld vol homo-erotische ondertonen blijkt te zijn: er was bijna geen shot waarin er geen scheidsrechter met ontbloot bovenlijf op een bed zat, scheidsrechters en grensrechters gewikkeld waren in intense omhelzingen, of ze commentaar op elkaar leverden als ze onder de douche vandaan kwamen.

Ook kwam ik tot de ontdekking dat die scheidsrechters nog veel gekker zijn dan die voetballers. Voetballers kunnen behoorlijke mannetjes zijn, maar ze weten wel goed wat ze zijn: hele goede voetballers. Van sommige scheidsrechters had ik het idee dat ze in de waan verkeerden dat ze de hele wereld bestuurden, met hun fluitje en hun vlaggenstok.

Maar goed, ik dwaal af.

Opvallend was de uitspraak van één of andere scheidsrechtersbons over het gebruik van technische hulpmiddelen voor scheidsrechters: hij had een filosofisch argument om hier tegen te zijn.

Wat was dit filosofische argument dan? Tadadada:

'Omdat voetballers fouten mogen en kunnen maken en niet over technische hulpmiddelen kunnen beschikken, moeten scheidsrechters ook fouten kunnen maken en niet over technische hulpmiddelen kunnen beschikken.'

Kijk, zo komt de filosofie dus in een slecht daglicht te staan. Want wat is er filosofisch aan dit argument? In ieder geval niet dat hij het probleem van de falende scheidsrechters met behulp van een neo-kantiaans, existentialistisch of post-structuralistisch wijsgerig denkkader probeert te analyseren, om zo tot een goed onderbouwde oplossing te komen. 'Filosofisch' lijkt hier meer te staan voor 'onzinnig'.

Tennissers hebben geen hawkeye, hockeyers hebben geen videoscherm, maar omdat voetballers geen camera's kunnen gebruiken mogen de scheidsrechters hier ook geen gebruik van maken?

Wat een on-filosofische onzin.

donderdag 10 juni 2010

Toeter


Foto: Flickr, by South African Tourism
 Michel Foucault is een Franse filosoof uit de twintigste eeuw die veel geschreven heeft over kennis en macht, en hoe deze twee dingen samenhangen. Eén van zijn ideeen is, dat wetenschap zich niet richting een objectief doel beweegt (de 'waarheid'), maar dat wetenschap altijd in dienst staat van de machthebbers, dient om macht te verkrijgen dan wel te behouden, en dat de machthebbers het 'discours' bepalen waarbinnen gepraat wordt, alsook wat binnen dat discours 'waar' is en hoe je dat zou moeten bewijzen.

De Vuvuzela is een traditioneel Afrikaans blaasinstrument waar Afrikaanse supporters tijdens wedstrijden graag op toeteren. Helaas worden Westerse voetballers en supporters knettergek van het schrille geluid, en staat er een WK in Afrika voor de deur.

Gelukkig heeft Ruth McNerney van de London School of Hygiene and Tropical Medicine iets ontdekt: Vuvuzela's kunnen verkoudheid en griep verspreiden omdat er zo veel lucht wordt verplaatst door de toeter, bovendien kunnen uiteinden van de toeters hoge concentraties aerosolen bevatten.

'Deze deeltjes zijn klein genoeg om uren in de lucht te blijven zodat ze eenvoudig hun weg naar de longen van mensen kunnen vinden.'

Dank U wel mevrouw McNerney.

zaterdag 22 mei 2010

Machine

Foto: Flickr, by mansionwb
Als ik Nietzsche lees, krijg ik vaak een aandrang om de straat op te gaan en zijn blijde woord te verspreiden. Aangezien ik begrijp dat niet iedereen hier even goed op zou kunnen reageren, is een blog als deze een goed substituut. Wat bijvoorbeeld te denken van de volgende passage:

'People are like piles of charcoal (houtskool) in the woods. Only when young people have stopped glowing, and carbonised, as charcoal does, do they become useful. As long as they smoulder and smoke they are perhaps more interesting, but useless, and all too often troublesome. Mankind unsparingly uses every individual as material to heat its great machines; but what good are the machines when all individuals (that is, mankind) serve only to keep them going? Machines that are their own end - is that the humana commedia?'

Nietzsche, Human, all too Human (Menschliches, Allzumenschliches) - 585.

Wie krijgt hier nu niet de onaanvechtbare aandrang van om altijd een brandend en rokend houtskooltje te blijven, en nooit te carboniseren: want dan wordt je nuttig, en stoppen ze je in de grote machine, een machine die nota bene vooral zichzelf in beweging houdt.

Passages als deze maken ook duidelijk waarom het idioot is Nietzsche in verband te brengen met het fascisme: alles wat hij schrijft is doordrenkt van een grote waarde voor het individu en een diepe afkeer van 'de staat', de 'coldest of all cold monsters'. Als fascisten ergens niet van houden, is het van houtskooltjes die willen blijven branden, en geen boodschap hebben aan de grote machine:

'In nationalism, men hate and envy the outstanding individuals who develop on their own and are not willing to let themselves be placed into rank and file for the purpose of a mass action.'

Idem - 480

Als ze in de jaren dertig van de vorige eeuw Nietzsche wat beter gelezen hadden, hadden ze waarschijnlijk wel een andere filosoof voor hun fascistische karretje gespannen.