Ik zat aan de Vredenburgkade een biertje te drinken en The Big Sleep te lezen van Raymond Chandler. Een boek vol bloedzuigers, afpersers, gangsters en moordenaars.
Het contrast met de omgeving kon niet groter zijn.
De zon scheen als een brandende fakkel, het water van de Stadsbuitengracht schommelde gemoedelijk.
Dat was weleens anders geweest. Twintig jaar geleden stroomde hier geen water, stoven onder je voeten de auto’s op een zesbaansweg van niets naar nergens. Een donker hoekje Hoog Catharijne, bevolkt door dealers, verslaafden en mannen op zoek naar problemen.
Nu is het een groen en vrolijk stukje Utrecht, met studenten in korte broek op de traptreden aan de waterkant.
De zon scheen als een brandende fakkel, het water van de Stadsbuitengracht schommelde gemoedelijk.
Dat was weleens anders geweest. Twintig jaar geleden stroomde hier geen water, stoven onder je voeten de auto’s op een zesbaansweg van niets naar nergens. Een donker hoekje Hoog Catharijne, bevolkt door dealers, verslaafden en mannen op zoek naar problemen.
Nu is het een groen en vrolijk stukje Utrecht, met studenten in korte broek op de traptreden aan de waterkant.
Toch wordt er nog steeds gedeald.
Waar mensen zijn wordt handel gedreven, het zit in ons DNA. Het enige dat verandert, is het handelswaar.
Een jongeman, op het oog een student, drentelt al een tijdje rond tussen terras en kade. Hij heeft een vierkant doosje in zijn hand, af en toe gluurt hij onder het deksel. Van links komen de kopers het beeld in fietsen. Een vrouw van een jaar of veertig en een jongen van een jaar of twaalf. De vrouw draagt een ruim hangende jurk en heeft een zonnebril op haar voorhoofd. De student begint te praten als Brugman, het doosje houdt hij voorlopig voor zijn borst. Zijn ogen schieten van de vrouw naar de jongen, hij doet net iets te ontspannen.
De vrouw knikt, ze gelooft het wel. Het doosje gaat over naar de jongen, die behoedzaam onder het deksel gluurt en een vinger naar binnen steekt.
Waar mensen zijn wordt handel gedreven, het zit in ons DNA. Het enige dat verandert, is het handelswaar.
Een jongeman, op het oog een student, drentelt al een tijdje rond tussen terras en kade. Hij heeft een vierkant doosje in zijn hand, af en toe gluurt hij onder het deksel. Van links komen de kopers het beeld in fietsen. Een vrouw van een jaar of veertig en een jongen van een jaar of twaalf. De vrouw draagt een ruim hangende jurk en heeft een zonnebril op haar voorhoofd. De student begint te praten als Brugman, het doosje houdt hij voorlopig voor zijn borst. Zijn ogen schieten van de vrouw naar de jongen, hij doet net iets te ontspannen.
De vrouw knikt, ze gelooft het wel. Het doosje gaat over naar de jongen, die behoedzaam onder het deksel gluurt en een vinger naar binnen steekt.
Ook zijn moeder werpt een blik.
Alles wijst erop dat er in het doosje iets levends zit. Een piepjong katje? Een paar wandelende takken? De jongen haalt een briefje uit zijn broekzak, het lijkt op twintig euro. De student lacht voor het eerst echt ontspannen, spreekt nog wat woorden en wandelt weer weg. Moeder en zoon blijven nog even staan praten, totdat moeder een kus op de wang van de jongen wil drukken. De jongen duikt weg en verdwijnt richting het Paardenveld.
Zijn moeder staart hem na. Ze vouwt het doosje nog eens goed dicht, plaatst het zorgvuldig in haar fietstas en schuift haar zonnebril voor haar ogen. Ze verlaat als laatste het toneel, de kijker achterlatend met een gevoel van verlatenheid.






