donderdag 29 januari 2026

Wachtgeld

Na schooltijd werkte ik als assistent-distributeur bij het verdeelpunt van NRC’s dat, heel handig, gevestigd was bij onze buren. Ik assisteerde de buurvrouw bij het tellen van de kranten voor elke wijk (twaalf in totaal) en als er iemand onverwachts uitviel was ik de joker, ik kon alle wijken bezorgen, het Vughtse stratenplan zat in mijn nog jonge hersens geëtst, je kan me nog steeds midden in de nacht wakker maken en aan me vragen: welke nummers van wijk 7, en dan dreun ik zo de straten op, met de bijbehorende NRC-klanten uit de periode 1995-1998.
  
  Hoe dan ook, die kranten werden voor de deur afgeleverd door een heel akelig mannetje in een bruin autootje, een mannetje met onder meer een drankprobleem en misschien ook wel andere problemen, daar zal hij inmiddels wel van verlost zijn aangezien hij waarschijnlijk niet meer leeft.
  Dankzij dit mannetje konden we vaak op het grasveld aan de overkant, op het terrein van een instituut voor dove kinderen, betaald voetbal spelen. Was die man namelijk meer dan een half uur te laat, dan kregen alle bezorgers die vruchteloos op hun krantjes hadden zitten wachten, ‘wachtgeld’ uitbetaald.
  Ja kinderen, dat waren de jaren negentig in optima forma: nog geen smartphones of dat soort onzin, maar gewoon lekker gezond tegen een balletje trappen en er ook nog voor betaald krijgen, kom daar tegenwoordig nog maar eens om.
  Natuurlijk was het ook wel eens rotweer en wat deden we dan, als die chauffeur weer eens ergens tussen Best en Vught in een café was blijven hangen? Dan zaten we wat in de werkruimte en draaiden we muziek, met name punkmuziek, dat was in die tijd nogal in. 
  Het was de tijd van wijde broeken die onder je kont hingen en skateboarden en alles heel relaxed of juist a-relaxed vinden. Nu had ik geen wijde broeken en ook geen skateboard maar wel interesse in die punkmuziek, dat klonk wel vrolijk en energiek. Iemand leende me een cd’tje van Green Day die ik op mijn zolderkamer op een bandje kopieerde en zo ongeveer de soundtrack van de zomer van ’95 werd.
  
  Een paar jaar later was die hele punk-hype alweer voorbij, mijn leeftijdsgenoten luisterden nu naar hardcore, wat ik persoonlijk ongelooflijke teringherrie vond, bovendien had ik al een andere afslag genomen, naar het verleden, en dan met name de jaren zestig, maar dat is weer een ander verhaal.
  Van veel van die punkbandjes uit die tijd hoorde je nooit meer wat, maar Green Day bleek een lange adem te hebben, ik zag nog wel eens wat voorbij komen op tv en las dat ze nu zelfs de reden vormen dat Donald Trump, het oranje wangedrocht dat is voortgekomen uit het onheilige huwelijk tussen de media en het kapitalisme, de wandelende reclamespot voor zichzelf, een sirene met gouden haarlak die de westerse samenleving op de klippen zal laten lopen, dat diezelfde Donald Trump weigert om naar de Super Bowl te komen omdat Green Day in de rust een liedje gaat spelen.
 
  ‘I’m anti-them’, zei de Donald in zijn gebruikelijke kleutertaaltje, ‘all it does is sow hatred.’
  Het zou grappig zijn als het niet zo treurig was.
 
  Ik googelde Green Day en warempel, daar zijn ze weer, dertig jaar ouder maar nog vol energie, met een liedje waarin ze de ICE-waanzin in Minnesota benoemen.
  Ze zijn al die tijd gewoon lekker doorgegaan en nu is het moment aangebroken dat ze precies de juiste mensen op de juiste plek zijn, oudere punkjongeren die tijdens de Super Bowl een miljoenenpubliek de waarheid in het gezicht kunnen smijten.