Door een serie van onvoorziene omstandigheden ben ik in het bezit gekomen van twee katten. Als het knallen serieus begint, zoeken ze hun heil onder mijn bed. Om ze tegemoet te komen zet ik een klassiek muziekje voor ze op: ik heb ergens gelezen dat dit een rustgevende invloed op katten heeft.
Na een paar uur van alle kanten beschoten te zijn met vuurwerk dat harder ontploft dan de wapenvoorraad van de gemiddelde Nederlandse legereenheid, ben ik zelf ook wel toe aan een rustgevend muziekje.
Buiten trekken vandalen vermomd als feestvierders door de straten, binnen luisteren mijn katten en ik naar Mozart, als een baken van cultuur, lijdzaam wachtend tot de barbaren verder zijn getrokken.
Aangezien de Mohammedanen weer aan de poort rammelen, leek het me wel een goed idee de bijbel eens door te nemen. Ik begon met de vier synoptische evangeliën: de vier biografische boeken over het leven van Jezus Christus aan het begin van het Nieuwe Testament.
Wat je al snel opmerkt als je deze boeken leest, is dat Christus vrijwel nergens verkondigt dat hij gaat sterven om de zonden van de mensheid op zich te nemen.
Wel komt met name in de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas een Christus naar voren die een ongelooflijke hekel heeft aan elke vorm van boekenwijsheid, die dreigt dat je Hem maar snel in je hart moet sluiten, omdat Zijn vader je anders een lesje zal leren, die alleen een wonder verricht als Hij er zin in heeft en die een opvallende voorkeur aan de dag legt voor tollenaars en criminelen.
Met name de afkeer die de Mensenzoon tegen boekenkennis tentoonspreidt, stuitte me enigszins tegen de borst. Hoe meer ik van het Nieuwe Testament las, hoe meer begrip ik voor de Farizeeërs begon te krijgen.
Heb je braaf je halve leven de heilige geschriften bestudeerd, komt er op een dag iemand opdagen die verkondigt dat het allemaal flauwekul is, dat Hij de ware kennis bezit, en dat je dit maar beter kan accepteren, omdat je anders nog een verschrikkelijker lot zal wachten dan de overspelige tollenaar.
Om deze nieuwlichter nu maar meteen aan het kruis te laten nagelen is wel weer het andere uiterste, maar dat iemand die continu elke kritische vraag pareert met de mededeling dat hij nu eenmaal de zoon van God is, en dat de discussie daarmee is afgesloten, behoorlijk snel op je zenuwen gaat werken, daar kan ik mij persoonlijk wel wat bij voorstellen.
Mark Hamill speelde eind jaren zeventig in de eerste Star Wars-film: A New Hope. Hij vertolkte hierin de rol van Luke Skywalker: een jonge Jedi die het sterrenstelsel redt door de Deathstar op te blazen. Veertig jaar later produceert Walt Disney een nieuwe Star Wars-film met hierin voor het eerst weer een grote rol voor Luke Skywalker.
Er is echter een probleem: het is anno 2017 behoorlijk racistisch en seksistisch om een blanke man de held te laten spelen.
Gelukkig zijn de progressieve scenarioschrijvers van Disney met een elegante oplossing voor deze gevoelige kwestie op de proppen gekomen: ze laten Luke Skywalker de hele film gewoon als een loser op een verlaten eiland rondsjokken, waar hij in elkaar wordt geslagen door een meisje, geen enkel nut dient en depressief de uier van een alien ligt te melken.
Het meest ontroerend aan The Last Jedi is niet de film zelf, maar de interviews met Hamill over de manier waarop Disney zijn geliefde personage heeft verminkt. We zien een lieve oude man die nog steeds niet doorheeft dat hij is ingehaald door de tijdsgeest en dat hij met terugwerkende kracht een belediging van de goede smaak is geworden.
In de donkere dagen van december, lees ik graag over de Beatles. Een van de meest mysterieuze aspecten van dit hartverwarmende kerstverhaal is het raadsel van de transsubstantiatie: hoe is het mogelijk dat de energie van die vier losgeslagen Liverpoolse wildebrassen zo feilloos werd omgezet in tijdloze popklassiekers van ongeëvenaard niveau?
Door de canon aan Beatles-evangeliën te bestuderen, hoop ik al jarenlang dichter bij een antwoord op dit mystieke raadsel te komen.
Mijn laatste hypothese is dat we bij de Beatles in feite te maken hebben met een creatieve drie-eenheid: Lennon, McCartney en Martin.
Oftewel: de melancholiek boze punker, de melodieuze popjongen en de klassieke geschoolde musicus.
Vooral de rol van George Martin wordt nogal eens onderschat.
Als producer drukte hij niet alleen maar op 'record', hij speelde een belangrijke rol bij enkele van de sterkste nummers van de Beatles.
Als voorbeeld van mijn drie-eenheid hypothese, voer ik de ontstaansgeschiedenis van 'In my life' aan, een van mijn all time favoriete Beatles-nummers.
In het evangelie van Spitz is te lezen hoe dit nummer ongeveer ontstond: Lennon schreef een melancholieke roadtrip down memory lane, McCartney gooide de helft er uit en bracht het terug tot het format van een popliedje, waarna alleen de solo nog ingevuld moest worden.
'Speel daar maar iets Bach-achtigs', mompelde Lennon, waarna George Martin een klassiek piano-riedeltje aan het nummer toevoegde en het vlees in de Abbey Road studio, tussen de wietwalmen, kopjes thee en broodjes jam door, opeens weer woord was geworden.
Vandaag opende de Volkskrant met een behoorlijk degelijke reportage over de opkomst van extreem-rechts. Ik had persoonlijk nog nooit van 'Erkenbrand' gehoord, maar de beschrijving van dit extremistische clubje komt redelijk geloofwaardig over.
Zo mag je bijvoorbeeld geen lid worden als je een donkere vriendin hebt, en bestaat een van de hoogtepunten van het lidmaatschap uit het drinken van speciaal bier rond een eikenboom.
Eigenlijk is het enige wat in de reportage ontbreekt, een kritische blik op de rol van de Volkskrant zelf bij het aanwakkeren van dit soort sentimenten.
Want wat gebeurt er als je verder bladert?
Dan kom je terecht bij een artikel met een titel die je vijf jaar geleden nog onmiddellijk als satire had ingeschat: 'Hoe voed ik mijn witte kind op?'
De strekking van dit absurde staaltje progressieve zelfhaat, is dat blanke baby's per definitie een soort Hitlertjes in de dop zijn, bij wie alleen met draconische maatregelen het inherente racisme de kop valt in te drukken.
Met stijgende verbazing las ik het van wroeging en zelfbeschuldigingen aan elkaar hangende broddelstukje van een 'witte ouder', die, ze kan er zelf ook niks aan doen, een dochter heeft met 'blond haar en een lichte huid.'
Ja, blond haar en een lichte huid, dan weet je het wel: de treinen naar het oosten kunnen alvast worden aangezwengeld.
Na vijf pagina's van deze blank-progressieve zelfkastijding door te hebben geworsteld, begon ik ineens erg te verlangen naar een lekker gekoeld speciaal biertje, bij voorkeur genuttigd onder een eikenboom.
Die opgewonden standjes van het Kick Out Zwarte Piet-clubje hebben natuurlijk helemaal gelijk: Zwarte Piet is vreselijk uit de tijd. Ooit bedoeld als afschrikwekkend hulpje van Sinterklaas, is hij het lachertje van de mythe geworden.
Welk kind is er tegenwoordig nog bang voor iemand met een zwart gezicht? Als je zwarte mensen elke dag bij de bakker tegenkomt, is het verrassingseffect er wel een beetje af.
En het werd al steeds armzaliger, met die gezellige kunstjes en dat strooien met snoepgoed, in plaats van loeren door het zolderraam en een flink pak slaag als je stout was geweest.
Nee, Zwarte Piet in zijn oude vorm kan echt niet meer.
Willen we Zwarte Piet in ere herstellen en hem zijn oorspronkelijke, afschrikwekkende rol teruggeven, dan stel ik een nieuwe vorm voor deze sidekick voor: de Jihad Piet.
De Jihad Piet is prima te incorporeren in de Sinterklaasmythe: een oude man met een baard en een heel belangrijk boek in zijn handen, heeft allemaal hulpjes die rondrennen en mensen opblazen, kelen afsnijden en auto's in de fik steken.
Alleen als je heel erg braaf bent geweest en moeiteloos de halve koran kan citeren, zal Jihad Piet je leven sparen. En als je de hele koran kan citeren, krijg je van Sinterklaas een houten stokje, om 's avonds je tandjes mee te poetsen.
Met deze relatief kleine ingreep krijgt het traditionele Sinterklaasfeest zijn maatschappelijke relevantie terug: de mythologie sluit weer naadloos aan op de tijdsgeest, en kinderen kunnen weer griezelen om een sidekick die echt een beetje angst inboezemt.
Ik kan me niet voorstellen dat er een bevolkingsgroep is die hier wat op tegen kan hebben.
Charlotte Mutsaers: ik was al fan van haar nadat ik een jaar of acht geleden Koetsier Herfst las, en na die rel over al dan niet doorverkochte kinderporno ben ik alleen maar een grotere fan geworden.
Wat me bevalt aan Mutsaers is haar grondhouding: 'bekijken jullie het maar, met je kutinterview.'
Altijd dat gezeur over wat er 'echt gebeurd' is.
Natuurlijk wordt je daar bokkig van.
Als iemand in een interview verkondigt dat ze in de woning van haar verloederde en vereenzaamde broer de enige echte boekenkist van Hugo de Groot aantrof, tot de nok toe gevuld met kinderporno, dan lijkt het me duidelijk dat we het domein van de literatuur zijn betreden.
En als je daar een probleem mee hebt, bel je de politie maar.