zondag 7 juni 2026

Alle liedjes leiden naar Dylan

In de jaren negentig had je het gezelschapsspel 'Six degrees of Kevin Bacon'. Het idee van dit spelletje was dat Kevin Bacon in zoveel films zat, dat je elke acteur of actrice via hoogstens zes films tot een film met Kevin Bacon kon herleiden. 
  Een klassiek voorbeeld was: Jennifer Lawrence speelt in The Burning Plain met Charlize Theron (1). Charlize Theron speelt in Trapped met Kevin Bacon (2). Het Bacon-nummer van Lawrence was dus 2.
  
  Waarschijnlijk zou je iets soortgelijks met de liedjes van Bob Dylan kunnen doen. Pak een willekeurig nummer en via hoogstens zes covers kom je bij een nummer van Dylan uit. 

Dit had ik bij mijzelve overdacht
verregend, op een middag
domweg fietsend door de Achterstraat

- om J.C. Bloem maar eens te parafraseren. Ik had namelijk net in de supermarkt dit nummer gehoord:




Het is typisch zo'n winkelliedje dat je al honderd keer gehoord hebt, zonder te weten van wie het is of wanneer het gemaakt is. Een beetje googelen leerde me dat het een remix is van het liedje 'I Follow Rivers' van Lykke Li. En ik vond ook meteen een mooie cover door de Belgische band Triggerfinger, live op de radio bij Giel Beelen, waarbij iemand met een mes glas en mok bespeelt:




Als we vertrekken bij Lykke Li, dan is haar Dylan-nummer 2, want Triggerfinger heeft een hele aardige cover van het Dylan-nummer 'Father of Night':




Het origineel staat op New Morning, de plaat die Dylan volgens de meeste Dylanologen snel uitbracht na de vernietigende reacties op zijn album Self Portrait. In de zwaardere versie van Triggerfinger krijgen de teksten over de Bijbelse Vader van de Nacht een lading die ik er eigenlijk beter bij vind passen en de woorden meer openbreken dan Dylan zelf deed:

vrijdag 5 juni 2026

En het is hier warm

Tijdens een interview met Coen Verbraak vertelde Kees van Kooten eens hoe hij Gerard Reve leest: ‘Een van zijn boeken uit de kast trekken, een paar alinea’s lezen en weer terugzetten. Even lekker een bonbonnetje.’
 
Hoe Van Kooten Reve leest, zo lees ik meestal poëzie. Ik ga niet met een bundel op de bank zitten om dan bij kaarslicht zeventien gedichten te lezen. Het heeft meer weg van stiekem snoepen. Even bladeren, blijven haken bij een titel of een zin, hele gedicht lezen en het boekje gaat de kast weer in.
  Een van mijn favoriete graasbundels is ‘Man met hoed’ van Lieke Marsman. Ik maakte zo’n acht jaar geleden kennis met het werk van Marsman via een analyse van het gedicht ‘Broertje’ door Rob Schouten in poëzietijdschrift Awater. De eerste zin van dit gedicht luidt:
 
Er zijn verschillende manieren waarop
je iemand kunt ophalen van zwemles en
te laat is er een van.

 
Ellen Deckwitz, een collega-stadsdichter, parafraseert deze zin in haar I.M. voor Marsman in Het Parool:
 
Er zijn veel manieren
waarop je slecht nieuws
kan ontvangen.
 
Een daarvan is weigeren 
om stil te staan
 
en zo van de uitslag 
een slijpsteen te maken
voor het leven.

 
Ik hou van het speelse en het meanderende in de poëzie van Marsman, waarbinnen ook ineens een mes kan flikkeren. Terwijl de verteller in ‘Broertje’ mijmert over het jochie dat in het zwembad zit te wachten tot hij wordt opgehaald (‘je kunt tijdens het wachten je haren vast laten drogen’), dwaalt ze af naar zijn mogelijke toekomst en de keuzes die hij zal maken:
 
[…] Wellicht
dat je vrienden zullen roepen dat ze een varken
aan het spit willen hangen, terwijl jij het liefst
het woordje tofoe op je hoofd zou laten tatoeëren.
Of zou je zelf toch liever ook een slagersmes hanteren?

 
Iets anders waarop ik aanhaak, is dat Marsman klinkt als een generatiegenoot, hoewel ze tien jaar jonger was dan ik. Maar ze debuteerde al op haar twintigste en misschien pikt iemand met haar talent als vijftienjarige al dingen op die iemand anders op zijn vijfendertigste een keertje gaan opvallen.
 
Het werk van Marsman is geestig, fel en mooi. Ik zal erin blijven grazen en ik zal zelf poëtisch blijven ploeteren. Want zoals Marsman schrijft in het gedicht ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’:
 
[…]
het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naartoe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh

woensdag 3 juni 2026

Voordat de bom valt

Hoe ouder ik word, hoe meer het me verbaast dat de mensheid zichzelf nog niet heeft vernietigd. Deze zelfvernietiging lijkt me het onontkoombare gevolg van twee feiten:
 
1. De mensheid heeft genoeg atoombommen gecreëerd om zichzelf te vernietigen.
2. De meeste van deze atoombommen worden beheerd door kleinzielige mannetjes die nog liever de voetbal lek steken, dan dat ze er andere kinderen mee laten spelen.

 
 Dat deze twee feiten samen nog niet hebben geleid tot:
 
3. Een kleinzielig (of religieus waanzinnig) mannetje laat een paar atoombommen ontploffen, met een kettingreactie tot gevolg die de hele mensheid wegvaagt, komt me steeds bizarder voor.
 
Ik zie zo’n Trump er bijvoorbeeld best voor aan om tegen het einde van zijn tweede termijn nog snel even op die knop te drukken, gewoon om nog een schop na te kunnen geven als hij er zelf toch bijna tussenuit piept.
 
Wat me enigszins kalmeert bij deze gedachten, is dat de vernietiging van de mensheid me helemaal niet zo verkeerd lijkt. De aarde mag het weer opnieuw proberen en hopelijk komen er deze keer geen uit hun krachten gegroeide sadistische chimpansees aan de macht, maar bijvoorbeeld leuke aaibare dieren die het vooral gezellig en prettig voor iedereen willen maken.
 
  In contrast met mijn afkeer van de mensheid als geheel, staat de affectie die ik sporadisch voel voor specifieke personen.
  Zo ken ik een man die waarschijnlijk een hersenbloeding heeft gehad. Elke dag, in weer en wind, werkt deze man, zijn lamme ledematen met zich meeslepend, vol goede moed voor de plantsoenendienst. In de pauze haalt hij bij de snackbar wat te eten. Dit zet hij op zijn ‘rekening’, die hij eens in de maand met een trots gezicht betaalt.
  Als ik zo’n man, die het toch niet mee zit in het leven, zijn rekening zie betalen met zijn eigen, met bloed zweet en verlamde ledematen verdiende geld, kan ik ter plekke in huilen uitbarsten.
 
  Als het aan mij lag, kreeg deze man onmiddellijk het beheer over het wereldwijde atoombom-arsenaal.

 Wat zou er door me heen gaan, als al die bommen in de lucht zijn en er nog een minuut of drie te leven is? Als eerste bel ik snel wat vrienden op, die dit betoog van mij al vaker gehoord hebben en het altijd wegzetten als hysterische onzin. 
  Waarschijnlijk zijn mijn laatste woorden: ‘Zie je wel.’
  Helaas zal er geen tijd meer zijn om mijn gelijk ook nog te onderstrepen met een zelfingenomen blogje.