donderdag 19 maart 2026

De sappelziekte

 Een van de aardige aspecten van het boek Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen, is zijn negentiende eeuwse blik op typische fenomenen uit de twintigste eeuw, zoals hysterische sportbeleving en hysterisch ondernemerschap.
  Gijssen is geboren in 1899 en als zijn hoofdpersoon (die duidelijke overeenkomsten met hem zelf heeft) als journalist verslag moet doen van de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen, observeert hij:

  Deze atleten, samengekomen uit alle landen der wereld om in 'edele wedijver' te kampen om een medaille en een lauwerkroon, bleken even gevoelig in hun triomf als in hun nederlagen. Zij die overwonnen, wierpen zich onstuimig in de armen van hun vrienden; zij die de strijd moesten opgeven, liepen naar hun kleedkamer toe alsof de wereld ineen stortte en dat hun schuld was. 
  
  Het is gedrag waar honderd jaar later helemaal niemand meer van opkijkt, het is eerder opvallend als een atleet zich niet hysterisch gedraagt, maar de observatie is zo argeloos oprecht, dat je toch even bedenkt hoe raar dat hysterische sportgedrag eigenlijk is. 
  En dan ging dit nog om de Olympische Spelen, terwijl je op een zondagmiddag in het gemiddelde dorp langs de sportvelden precies hetzelfde kan zien.
  
De vriendin van de hoofdpersoon werkt voor een zekere Lohman, bevrachter van binnenschepen:

  Hij was een haai van klein formaat [...] heel zijn bestaan was gewijd aan het gevecht tegen een aantal kleine haaien zoals hij zelf [...] Wat Agnes en mij het meest verbaasde, was dat Lohman en zijn ongure concurrenten allen voorbeeldige huisvaders waren, redelijk trouwe echtgenoten en soliede kerkgangers [...] Dat er tussen hun professionele bedrijvigheid en hun burgerlijk bestaan een volledige afscheiding kon bestaan, was een toestand, een fantastisch fenomeen, dat bij Agnes en mij aanvankelijk grote hilariteit verwekte omwille van zijn ongelooflijke wanstaltigheid, maar dat ons langzamerhand beklemmen en met diep onbehagen vervullen zou. 

Net als bij de hysterische sportbeleving, is dit 'fantastische fenomeen' iets dat helemaal niemand meer opmerkt. Het is volkomen normaal je op je werk als een schoft te gedragen, een woekerpolisje hier, wat traden voor een hedgefund daar, wat lobbyen voor de grootste vervuilers, en dan weer lekker naar huis om je kinderen in bed te stoppen en de hond uit te laten.
  Het hele idee dat bepaald werk wel eens slecht voor je ziel zou kunnen zijn, is belachelijk geworden. In de twintigste eeuw is geld de afgod van de gewone man geworden, en de meest eervolle manier om eraan te komen is sappelen, schuiven en doordauwen:

  Agnes legde mij uit hoe Lohman erin slaagde het hoofd boven water te houden, dankzij wonderen van vlijt en vernuft, alhoewel hij veel eerlijker en gemakkelijker aan zijn kost kon komen met een patatefritekraam op de hoek der straat. 

 Ik moet aan die patatefritekraam denken als ik het boekje Kapitalisme zonder Remmen. Opkomst en ondergang van het marktkapitalisme van Maarten van Rossem lees. 
  In dit boekje vraagt Van Rossem zich af hoe het toch mogelijk is dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw het 'Marktfundamentalisme' zich zo moeiteloos over de Westerse wereld heeft verspreid:

  In deze jaren ontwikkelde het marktfundamentalisme zich tot een allesomvattende wereldbeschouwing. Er was waarlijk geen probleem dat niet door 'vermarkting' kon worden opgelost en alle denkbare instituties moesten dringend 'bedrijfsmatig' worden beheerd en worden onderworpen aan de paradijselijke tucht van 'modern management'. 

  Verregaande deregulatie van de financiële markt leidt onder meer tot de kredietcrisis van 2008, en ook voor de rest heeft de 'gewone Amerikaan' weinig aan al deze vermarkting gehad:

  Het ideologisch gedreven wanbeheer van de Amerikaanse samenleving heeft nog veel meer ellende veroorzaakt dan alleen de kredietcrisis. Zo is bijvoorbeeld de inkomensverdeling in de afgelopen decennia zo scheef gegroeid dat de Verenigde Staten op dat punt meer op Brazilië of China lijken dan op West-Europa. 

  In West-Europa, waar het marktfundamentalisme ook nog gezonde tegenkrachten kende, doen we het volgens Van Rossem een stuk beter: onze arbeidsparticipatie is beter, we hebben betere en goedkopere gezondheidszorg en de intergenerationele sociale mobiliteit is in West-Europa aanzienlijk groter dan in de VS.
  
 De grote vraag is dan: waarom blijft de helft van de Amerikanen hardnekkig op die Republikeinen stemmen, als dit overduidelijk in hun nadeel is? Waarom stem je voor de miljardairsklasse en tegen betaalbare zorg voor jezelf? 
  
  Mijn hypothese is dat de sleutel van dit enigma ligt bij die patatefritekraam voor de werkgever van Agnes. 
  Natuurlijk zou hij meer, en makkelijker, zijn geld kunnen verdienen met een patatefritekraam. Maar ergens eind negentiende, begin twintigste eeuw heeft de sappelziekte zich in het collectieve onderbewustzijn van de Westerse man genesteld.
  
  Sappelen is voor de moderne man wat de riddertoernooien voor de middeleeuwse man waren. Een manier om jezelf te bewijzen in het strijdperk. De ultieme 'hero's journey' voor de moderne man is het Amerikaanse 'rags to riches' verhaal. 
  Met zo'n patatefritekraam en een degelijke ziekenfondsverzekering  heb je misschien wat meer zekerheid, maar je weet ook zeker dat je nooit een grote haai gaat worden. Je bent niet eens een kleine haai, je bent een brasem of misschien een karper.
  Dat dat gelul over de 'self made-man' niets anders dan gelul is, doet er verder niet toe. Dat de intergenerationele mobiliteit in het verschrikkelijk socialistische Europa daadwerkelijk groter is dan in het zogenaamde ondernemersparadijs Amerika, doet er ook niet toe. Het is een geloof, en dat geloof zal pas verdwijnen als het vervangen wordt door een ander geloof.