vrijdag 5 juni 2026

En het is hier warm

Tijdens een interview met Coen Verbraak vertelde Kees van Kooten eens hoe hij Gerard Reve leest: ‘Een van zijn boeken uit de kast trekken, een paar alinea’s lezen en weer terugzetten. Even lekker een bonbonnetje.’
 
Hoe Van Kooten Reve leest, zo lees ik meestal poëzie. Ik ga niet met een bundel op de bank zitten om dan bij kaarslicht zeventien gedichten te lezen. Het heeft meer weg van stiekem snoepen. Even bladeren, blijven haken bij een titel of een zin, hele gedicht lezen en het boekje gaat de kast weer in.
  Een van mijn favoriete graasbundels is ‘Man met hoed’ van Lieke Marsman. Ik maakte zo’n acht jaar geleden kennis met het werk van Marsman via een analyse van het gedicht ‘Broertje’ door Rob Schouten in poëzietijdschrift Awater. De eerste zin van dit gedicht luidt:
 
Er zijn verschillende manieren waarop
je iemand kunt ophalen van zwemles en
te laat is er een van.

 
Ellen Deckwitz, een collega stadsdichter, parafraseert deze zin in haar I.M. voor Marsman in Het Parool:
 
Er zijn veel manieren
waarop je slecht nieuws
kan ontvangen.
 
Een daarvan is weigeren 
om stil te staan
 
en zo van de uitslag 
een slijpsteen te maken
voor het leven.

 
Ik hou van het speelse en het meanderende in de poëzie van Marsman, waarbinnen ook ineens een mes kan flikkeren. Terwijl de verteller in ‘Broertje’ mijmert over het jochie dat in het zwembad zit te wachten tot hij wordt opgehaald (‘je kunt tijdens het wachten je haren vast laten drogen’), dwaalt ze af naar zijn mogelijke toekomst en de keuzes die hij zal maken:
 
[…] Wellicht
dat je vrienden zullen roepen dat ze een varken
aan het spit willen hangen, terwijl jij het liefst
het woordje tofoe op je hoofd zou laten tatoeëren.
Of zou je zelf toch liever ook een slagersmes hanteren?

 
Iets anders waarop ik aanhaak, is dat Marsman klinkt als een generatiegenoot, hoewel ze tien jaar jonger was dan ik. Maar ze debuteerde al op haar twintigste en misschien pikt iemand met haar talent als vijftienjarige al dingen op die iemand anders op zijn vijfendertigste een keertje gaan opvallen.
 
Het werk van Marsman is geestig, fel en mooi. Ik zal erin blijven grazen en ik zal zelf poëtisch blijven ploeteren. Want zoals Marsman schrijft in het gedicht ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’:
 
[…]
het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naartoe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh