Vandaag was er een protest tegen het schrappen van banen binnen de sociale werkvoorziening. De inhoudelijk kant van de zaak interesseert me minder dan het woord: 'sociale werkvoorziening'. Dit woord doet me altijd denken aan kantoortuinen. Wat is een kantoortuin anders dan sociale werkvoorziening?
Het barst van de mensen die niet zo veel kunnen, maar wel bijzonder sociaal zijn. Voor deze mensen zijn er kantoortuinen. In deze kantoortuinen kunnen ze hun uitstekende sociale vaardigheden tentoon spreiden. De hele dag praten ze heel vaardig met collega's over koetjes en kalfjes. Om vijf uur is de sociale werkvoorziening afgelopen en gaan ze met een voldaan gevoel weer naar huis.
Ondertussen vinden a-sociale nerds in Silicon Valley een nieuwe supercomputer uit die ervoor zorgt dat we nog sneller kunnen internetten. Dit internet wordt vervolgens gebruikt door bijzonder sociale mensen in hun kantoortuinen. Ze e-mailen elkaar foto's van hun huisdieren en hun baby's. Als ze in de trein tegenover een nerd uit Silicon Valley zitten, whatsappen ze elkaar dat zo'n nerd toch wel bijzonder zielig is. 'Hoe kan die ooit overleven in de echte wereld', vragen ze zich af en ze haasten zich weer naar hun kantoortuin.
dinsdag 11 februari 2014
dinsdag 4 februari 2014
Kokosnoot
Alles aan deze zin klopt.
Hans Kraay junior en kokosnoten, dat kan alleen maar verkeerd gaan. Om te beginnen zijn kokosnoten ontzettend aanmatigende vruchten. Het begint al bij de naam: noemt zichzelf een noot, maar is in feite een vrucht. Dat roept dus irritatie op. De kokosnoot is het jongetje in het voetbalelftal dat een kwartier voordat de wedstrijd begint, gaat uitleggen wat er de vorige keer allemaal verkeerd is gegaan. En daar wordt Hans dus helemaal gek van, van dat soort types.
Daar komt nog bij dat een kokosnoot bijna niet te eten is. Het eten zit vanbinnen, maar de buitenkant is keihard. Dit brengt Hans in verwarring. Kan hij dat ding nu eten of niet? Wat moet hij ermee? Op de grond gooien? Met een hamer op slaan? Drie keer tegen de muur stuiteren? Kokosnoten brengen Hans op deze manier in een staat van acute razernij en het is dan ook niet verwonderlijk dat de vrucht hem weer eens in de problemen heeft gebracht.
'Hou eens even je kokosnoot', zou Kraay tegen een speler geroepen hebben. Maar volgens de speler was het: 'Ga kokosnoten rapen'. Dat laatste zou een racistische opmerking zijn en dat is veel erger.
Ik twijfel sterk aan Hans Kraay junior als racist. Sowieso is het al vrij ver gezocht om over kokosnoten rapen te beginnen als je op een voetbalveld iemand racistisch wil bejegenen. Over het algemeen zijn voetballers niet zo subtiel.
Ik hou het er dan ook op dat Kraay zijn frustratie uitte door de speler het ergste toe te wensen dat een mens kan overkomen: de confrontatie met het onbegrijpelijke, de noot die eigenlijk een vrucht is, maar wel gekraakt moet worden, de verpersoonlijking van de absurde uitdagingen waar het leven ons voor stelt. De hel, dat is voor Hans Kraay junior de kokosnoot.
zondag 19 januari 2014
Balotelli is de Sjaak
![]() |
| Foto: Flickr, by Calcio Streaming |
En daar gaat het dus meteen al mis. Wat doet de mening van Balotelli ertoe? Denkt Balotelli soms dat hij een mening over Seedorf mag hebben? Heeft Balotelli soms toevallig ook vier keer de Champions League gewonnen? Nee? Zou Balotelli zijn mening dan misschien niet beter even voor zich houden?
Seedorf is absoluut het allerslechtste dat Balotelli kan overkomen en ik juich de komst van de donkere en twintig jaar jongere versie van Louis van Gaal naar Milanello dan ook van harte toe. Het werd tijd dat die Balotelli eens iemand tegenkwam die nog irritanter is dan hij zelf is.
Seedorf gaat Balotelli helemaal kapot maken.
Balotelli is een kleuter van drieëntwintig. Toen Seedorf een kleuter was liep hij met zijn handen achter zijn rug rondjes over het schoolplein te slenteren terwijl hij peinste over de meest efficiënte methode om zijn klasgenootjes te leren hoe ze een bekertje van klei moesten kneden.
Balotelli heeft tegen Seedorf geen schijn van kans. Balotelli leeft van de provocatie. Als hem iets niet bevalt, gaat hij etteren. Als hij geen reactie krijgt, gaat hij nog meer etteren. Als hij dan nog steeds geen reactie krijgt gooit hij een dartpijltje in het achterhoofd van een reservespeler en steekt hij zijn hotelkamer in de fik. Dat werkt altijd, maar uitgerekend de enige persoon die volkomen immuun is voor deze provocatie-tactieken is Clarence Seedorf.
Wat was het eerste dat Seedorf over Balotelli zei? 'Balotelli is een heel lieve jongen.' Die opmerking alleen al, daar is Balotelli nu nog steeds van aan het herstellen. Ook al steek je zeven hotelkamers in de fik, Seedorf komt glimlachend naast je staan en legt zijn arm op je schouder. 'Ik begrijp jou', zegt Seedorf dan, 'jij bent eigenlijk een heel lieve jongen. Je moet alleen wat beter naar mij luisteren. En die benzine, die had je eigenlijk heel anders over die hotelkamers moeten verdelen. Nu brandt die laatste nauwelijks, zie je dat? Dat is toch een beetje zonde van alle moeite. Maar dat maakt niet uit, jij komt er wel.'
Balotelli: als het niet zo'n etter was, zou je bijna medelijden met hem gaan krijgen.
maandag 6 januari 2014
Veilig
Het moest er toch een keer van komen: ik lees deel 1 van 'Het Bureau' van J.J. Voskuil. Of ik deel 7 ga halen waag ik echter ernstig te betwijfelen. Wel is me na een paar honderd pagina's duidelijk geworden waarin waarschijnlijk voor een groot deel het succes van deze kantoor-reeks verborgen ligt: zelden heb ik een boek voor volwassenen gelezen waarin het zo ontzettend veilig is.
En dat is eigenlijk vreemd, want over de hoofdpersoon, Maarten Koning, zegt de verteller om de zoveel bladzijden: 'hij voelde zich bedreigd.'
Koning voelt zich bedreigd door bijna alles. Een vreemde paradox: continue dreiging in een boek waarin je zeker weet dat er nooit iets spectaculairs gaat gebeuren. Het Bureau leest als een jongensboek.
Alle personages zijn karikaturen die continu dezelfde handelingen uitvoeren en dezelfde dingen zeggen, in eindeloze variaties. Al na zeven bladzijden is het Bureau je net zo vertrouwd als je vroegere basisschool. Niemand lijkt de pubertijd bereikt te hebben, van seks is geen sprake, de emotionele reikwijdte is die van Snelle Jelle.
De problemen waar Koning mee worstelt zijn voornamelijk de problemen van een onzeker jongetje. Bij zijn eerste dag op kantoor worstelt hij met de vraag hoe hij zijn appel naar kantoor moet brengen. Conclusie: 'De appel moest hij in de hand dragen.'
Wanneer het grote drama toch om de hoek probeert te komen, al vrij snel overlijdt één van Konings collega's, wordt het vakkundig ontmanteld:
'Wat is er met Veerman?', vroeg Maarten.
'Dood!'
'Dood?', zei Maarten verrast.
'Beroerte! Op de plee!'
'Hier bij ons?'
En zo kabbelt het nog een paar pagina's door over de arme Veerman, wiens dood minder opwinding lijkt te veroorzaken dan nieuwe regels rond een prikklok.
Dat je toch geboeid blijft lezen komt door het scherpe oog van Voskuil voor de verhoudingen tussen al die autistische mafkezen en zijn talent om zelfs de meest onbenullige scene nog enigszins literair te verheffen.
Maar vooral voelt Het Bureau al na honderd pagina's als een soap die je al tien jaar volgt en waaraan je je gedachteloos kunt overgeven. Ook een soap heeft dat verdovende effect, via omgekeerde weg: in een soap is het altijd crisis, en daarom is het voor de kijker eigenlijk nooit crisis. Er gaat elke aflevering iemand dood, wordt iemand verliefd, bedrogen en vermoord, en dat met zoveel pathos dat het netto effect hetzelfde is als de totale onderkoeling bij Het Bureau: vermakelijk gedoe zonder dat je bang hoeft te zijn dat je echt geraakt wordt.
De enige vraag die me de eerste paar honderd bladzijden nog enigszins bezig hield, was waarom die Koning in vredesnaam op dat vreselijke kantoor met al die mafkezen blijft werken. Maar die vraag wordt op bladzijde 210 al beantwoord:
'Soms', legde Maarten uit, 'niet altijd natuurlijk, maar soms, voel ik me zo bedreigd dat ik de plaatsen waar ik me nog veilig voel zou kunnen uittekenen: mijn huis, de smalle corridor tussen mijn huis en het Bureau, het Bureau. Daarbuiten is het gevaar. Maar in het Bureau is het al bijna onhoudbaar.'
De morele kritiek die Voskuil naar aanleiding van zijn romanreeks kreeg (hij zou zijn oud-collega's schaamteloos te kakken hebben gezet), bewijst maar weer eens dat veel mensen slordig lezen. Het Bureau heeft Maarten Konings leven gered. Zonder die relatief veilige haven was hij niet eens zijn huis meer uitgekomen. En alleen maar Maarten Koning op een stoel, daar had zelfs Voskuil geen 5.500 bladzijden literatuur uit kunnen peuren.
En dat is eigenlijk vreemd, want over de hoofdpersoon, Maarten Koning, zegt de verteller om de zoveel bladzijden: 'hij voelde zich bedreigd.'
Koning voelt zich bedreigd door bijna alles. Een vreemde paradox: continue dreiging in een boek waarin je zeker weet dat er nooit iets spectaculairs gaat gebeuren. Het Bureau leest als een jongensboek.
Alle personages zijn karikaturen die continu dezelfde handelingen uitvoeren en dezelfde dingen zeggen, in eindeloze variaties. Al na zeven bladzijden is het Bureau je net zo vertrouwd als je vroegere basisschool. Niemand lijkt de pubertijd bereikt te hebben, van seks is geen sprake, de emotionele reikwijdte is die van Snelle Jelle.
De problemen waar Koning mee worstelt zijn voornamelijk de problemen van een onzeker jongetje. Bij zijn eerste dag op kantoor worstelt hij met de vraag hoe hij zijn appel naar kantoor moet brengen. Conclusie: 'De appel moest hij in de hand dragen.'
Wanneer het grote drama toch om de hoek probeert te komen, al vrij snel overlijdt één van Konings collega's, wordt het vakkundig ontmanteld:
'Wat is er met Veerman?', vroeg Maarten.
'Dood!'
'Dood?', zei Maarten verrast.
'Beroerte! Op de plee!'
'Hier bij ons?'
En zo kabbelt het nog een paar pagina's door over de arme Veerman, wiens dood minder opwinding lijkt te veroorzaken dan nieuwe regels rond een prikklok.
Dat je toch geboeid blijft lezen komt door het scherpe oog van Voskuil voor de verhoudingen tussen al die autistische mafkezen en zijn talent om zelfs de meest onbenullige scene nog enigszins literair te verheffen.
Maar vooral voelt Het Bureau al na honderd pagina's als een soap die je al tien jaar volgt en waaraan je je gedachteloos kunt overgeven. Ook een soap heeft dat verdovende effect, via omgekeerde weg: in een soap is het altijd crisis, en daarom is het voor de kijker eigenlijk nooit crisis. Er gaat elke aflevering iemand dood, wordt iemand verliefd, bedrogen en vermoord, en dat met zoveel pathos dat het netto effect hetzelfde is als de totale onderkoeling bij Het Bureau: vermakelijk gedoe zonder dat je bang hoeft te zijn dat je echt geraakt wordt.
De enige vraag die me de eerste paar honderd bladzijden nog enigszins bezig hield, was waarom die Koning in vredesnaam op dat vreselijke kantoor met al die mafkezen blijft werken. Maar die vraag wordt op bladzijde 210 al beantwoord:
'Soms', legde Maarten uit, 'niet altijd natuurlijk, maar soms, voel ik me zo bedreigd dat ik de plaatsen waar ik me nog veilig voel zou kunnen uittekenen: mijn huis, de smalle corridor tussen mijn huis en het Bureau, het Bureau. Daarbuiten is het gevaar. Maar in het Bureau is het al bijna onhoudbaar.'
De morele kritiek die Voskuil naar aanleiding van zijn romanreeks kreeg (hij zou zijn oud-collega's schaamteloos te kakken hebben gezet), bewijst maar weer eens dat veel mensen slordig lezen. Het Bureau heeft Maarten Konings leven gered. Zonder die relatief veilige haven was hij niet eens zijn huis meer uitgekomen. En alleen maar Maarten Koning op een stoel, daar had zelfs Voskuil geen 5.500 bladzijden literatuur uit kunnen peuren.
maandag 23 december 2013
Voetballen voor de coach
De eerste scene is één lang, ononderbroken shot van hoe hij zijn fiets uit de gemeenschappelijke stalling haalt en door het gure, Nederlandse weer naar de middelbare school fietst waar hij les geeft aan Havo 4, de horrorklas die hem in zijn maag is gesplitst toen hij even niet oplette bij het teamoverleg.
Als hij zich omdraait gooien ze propjes in zijn nek. Soms doet hij alsof hij boos is, maar er is helemaal niemand die hem gelooft. Een bakvis bij het raam is al een jaar verliefd op hem, maar dat heeft hij nog steeds niet in de gaten.
Maar hij zal tot ze door dringen. En dan zullen ze voetballen, voor de coach. Luister maar naar Lou Reed:
And the straightest dude I ever knew
was standing right for me all the time
So I had to play football for the coach and
I wanted to play football for the coach
The straightest dude I ever knew, dat lijkt me een prima omschrijving van Phillip Cocu.
donderdag 12 december 2013
Oud
| Foto: flickr, by Rupert Ganzer |
Binnen stond een meisje glazen om te spoelen. Na een tijdje kwam er een man met een ladder binnen. Hij knutselde wat aan het plafond en vertrok weer. De muziek stond aan, de lichten dansten over de vloer. Het meisje achter de bar was begonnen aan een project. Ze legde bierviltjes over de hele lengte van de bar.
'Is het hier tegenwoordig altijd zo rustig?', vroegen we. 'Tegenwoordig gaan mensen pas uit rond half twee', antwoordde ze. Toen ze de hele lengte van de bar vol viltjes had gelegd, begon ze aan een tweede laag.
Twee vrouwen kwamen binnen. Ze keken naar ons en draaiden zich zonder iets te zeggen weer om. Om een uur of één begonnen er zowaar wat mensen binnen te druppelen. Jongens met mutsjes op. Meisjes die eruit zagen alsof ze moesten oefenen voor de cito-toets.
Toen het half twee werd en het volume van de muziek omhoog ging, vonden we het tijd worden om maar weer eens naar huis te gaan.
woensdag 4 december 2013
Offerdier
| Foto: flickr, by Annie Christabel |
Hiervoor onderzoeken wij uitingen in de sociale media. Een representatief twitter-citaat:
Ben stil. In één ruk 'Toen ik je zag' uitgelezen van @HoesIsa. Wat een waanzinnig liefdevolle, zorgzame, krachtige vrouw #respect
Isa Hoes is een vrouwenheld. 'Toen ik je zag' kunnen we dan ook als het vrouwelijk antwoord zien op de boeken die op nummer 7, 21, 25 en 37 van de boekentop 60 staan. Dit zijn boeken over respectievelijk Fernando Ricksen, Jan Boskamp, René van der Gijp en Zlatan Ibrahimović.
De mannenheld is een goeie voetballer die ook nog veel zuipt en met mooie vrouwen naar bed gaat. De vrouwenheld is een vrouw die op een liefdevolle en zorgzame manier het kruis draagt van een manisch-depressieve man die haar gek maakt met zijn getwitter.
Hamvraag: de meeste mannen die 'Ik, Zlatan' lezen, willen waarschijnlijk stiekem zelf ook een beetje Zlatan Ibrahimović zijn. Maar willen de meeste vrouwen dan ook een beetje Isa Hoes zijn? Of is het een zeer dunne scheidslijn tussen medeleven en leedvermaak? Denken de vrouwelijke lezers stiekem ook een beetje opgelucht: 'wat een zorgzame, krachtige vrouw is die Isa Hoes, maar wat ben ik blij dat mijn man niet de hele nacht in bed ligt te twitteren'?
Als dat het geval is, is Isa een soort offerdier dat voor ons de hete aardappels uit het vuur haalt. Onze dankbaarheid voor het feit dat Isa naast de twitterende Antonie lag in plaats van ons, uiten wij door Isa een zeer krachtige en zorgzame vrouw te noemen. Het offerdier dat de klappen in ontvangst neemt, krijgt daar ons welgemeende respect voor terug.
