maandag 9 september 2024

Renovatie

Het huis tegenover mijn werkkamer is verkocht. De nieuwe eigenaars trokken het 'Te Koop'-bordje uit de grond en renden hierna de tuin in om met de renovatie te beginnen. 
  Het lijkt me een pars pro toto van wat er wereldwijd gebeurt. 
  Wekenlang zit de hele buurt in de herrie, er worden duizenden insecten vermoord, aanhangwagens vol aarde braken CO2 de lucht in, alleen maar om de ene tuin voor de andere te verwisselen, waar verder niemand wat aan heeft, behalve twee mensen die ergens graag ‘hun eigen gevoel’ aan willen geven.
  Die onvermoeibare protestantse nijverheid, het idee dat het de taak van de mens is om de wereld te verbeteren, in plaats van aan te nemen dat alles precies goed is zoals het is.  
  Het heeft ons in vierhonderd jaar van de middeleeuwen naar het internet en openhartchirurgie gebracht, en zal ons binnen de volgende vierhonderd jaar waarschijnlijk weer net zo hard terugbrengen naar de middeleeuwen, als het meezit.
  Wat we nodig hebben, is een cultuuromslag.
  Maar leg dat die mannen op die heftrucks maar eens uit. Met een gelukzalige glimlach rausen ze door de oude tuin heen. Als over honderd jaar ergens in Chili de laatste paar duizend bomen staan, moeten ze dag en nacht tegen dit soort mannen bewaakt worden.
  Het beeld van de laatste mens op aarde, als atoombommen van de derde grondstoffenoorlog de laatst overgebleven mensenstammen hebben uitgeroeid: een man die met een hamer een schutting in de grond staat te slaan.

woensdag 4 september 2024

Controle

De gang met de mozaïek betegelde vloer ligt er nog precies zo bij als twintig jaar geleden. Ik leun met mijn hoofd tegen de vierkanten ruitjes bovenin de voordeur. Achterin het pand het keukentje met ouderwets opgestapelde vaat, daar weer achter is nog net een een streep van de diepe tuin te zien. Mijn kamer was voor de keuken links, met een tweede ingang die direct op de tuin uitkwam. 
  Het begin is dus veelbelovend en ook het tweede checkpunt, het bakkertje een dertigtal huizen verderop, laat me niet in de steek. Hier kocht ik soms een halfje wit, als ik met een katerhoofd geen zin had om naar de Albert Heijn op het Ledig Erf te sjokken.
   Ook de ventilatoren op de hoek van de Vrouwjuttenstraat en de Lange Nieuwstraat zijn er nog. Een stuk of twintig antiek ogende dingen achter een glasplaat, boven een plankje met een soort kookwekkers en een bordje met ‘Philips Lampen’. 
  Een raadselachtig stukje absurdistische kunst, ik heb een foto waarop ik met een vriend ’s nachts voor die mysterieuze vitrine sta, een vitrine die al twintig jaar onveranderd is gebleven.
  Waarom is dat belangrijk? Het zal wel iets met een gevoel van identiteit te maken hebben, het verhaal van het verleden dat in essentie alles is wat je bent. De fysieke bewijzen dat dat verhaal echt heeft bestaan, een plank vol oude ventilatoren als bewijs dat je hebt geleefd.
 







  







Op de Oudegracht zit nog steeds de Plaatboef, waar ik af en toe een Bob Dylan-cd’tje kocht. Dylan was nog niet veel meer dan een naam, een bos krullen op een cd-hoesje. Het was nog voor de tijd dat je alles googelde. Geen internet op m’n kamer, geen smartphone. Een discman en een cd. Zoals zo vaak: hoe minder je weet, hoe magischer het is.  
  Even verderop is de oude Tivoli afgeschermd door bouwstellages en netten. Hier was ik op voorbereid: de voormalige concertzaal is jaren geleden al gesloten.
  Hier kwam ik een keer J. tegen, die een paar weken later met een fles witte wijn voor de deur aan de Nieuwegracht stond. Ze had ‘De Oesters van Nam Kee’ bij zich, wat ze een flauwe imitatie van ‘Turks Fruit’ vond. Ik had beide boeken toen nog niet gelezen, inmiddels wel en ze had gelijk. We dronken de wijn in die tuin achter de keuken met de opgestapelde vaat. Ze was gek op het liedje ‘Angie’ van de Rolling Stones en had net een relatie met een skileraar achter de rug.
 
  Soms liep ik helemaal de Oudegracht af, naar boekhandel Broese op de hoek, tegenover het gemeentehuis en de bibliotheek ernaast. Broese is verhuisd naar de hoek met de Potterstraat, de bibliotheek is verhuisd naar het oude postkantoor op het Neude. In de vroegere bibliotheek kon je op de begane vloer internetten, je gooide een euro in een gleuf en dan kon je een kwartier online.
   Het ergst is nog altijd het Centraal Station. Ik ben er inmiddels toch wel weer een keer of twintig geweest, maar nog altijd is er een lichte verbijstering.
  Alles is weg.
  Het grote bord met de vertrektijden, het bloemwinkeltje bij de roltrappen naar de bussen, de Kiosk-winkeltjes waarin ik zelf nog een jaartje gewerkt heb. In plaats daarvan een grote, heldere, luchthaven-achtige hal. Het is ontegenzeggelijk mooier geworden, zoals heel Hoog Catherijne mooier is geworden. Maar het is niet mijn Hoog Catherijne is dat zal het ook nooit meer worden. 
  Achter het station loop ik de Croeselaan af naar een café waar ik nooit eerder ben geweest, voor een borrel  met collega-journalisten.
  De zon schijnt en we praten over nieuwsberichten, webinars, opdrachtgevers en gages. Het café is een lichte, doorschijnende kubus. Op het terras staan loungebanken met paarse kussens. We drinken halve liters Weizener en de zon blijft maar schijnen, terwijl mijn blik af en toe getrokken wordt naar een rond, ouderwets raampje in een slordig gebouwtje net naast het café. Een stukje negentiende-eeuwse architectuur te midden van alle eenentwintigste-eeuwse hipheid.
  Een journaliste met een mooie Belgische tongval vraagt of ik ook weleens andere dingen dan medische teksten schrijf. Ik beken dat dit zo is, hoewel het soms lastig is om er de tijd voor te vinden. Ze vertelt over een kunstenaar die ze bewondert, die overal de tijd voor neemt, die de tijd probeert te vangen door herfstbladeren van net verschillende kleurschakeringen op een rij te fotograferen.
  ‘Of kijk naar dat ronde raampje daar,’ wijst ze naar het gebouwtje dat mij ook al was opgevallen.
  ‘Daar zou hij dan bijvoorbeeld iets mee doen.’
  ‘De Martin-Bril-blik,’ knik ik. ‘Daar hou ik ook erg van.’
  ‘De Martin-Bril-bril,’ lacht de Belgische, ‘De Bril hangt bij ons op de wc.’
   We wisselen een blik van verstandhouding, Martin-Bril-kenners onder elkaar.
  Als ik in de trein terug naar het zuiden zit, denk ik nog steeds aan het rondje raampje naast het oude gebouwtje naast het hippe café waar ik de borrel met collega-journalisten had.  
  Misschien loop ik over twintig jaar weer over de Croeselaan, om te controleren of het raampje er nog steeds is, terwijl ik net gezien heb dat de keuken aan de Nieuwegracht nog steeds vol aangekoekte vaat staat en dat de ventilatoren aan de Vrouwjuttenstraat nog steeds achter hun glasplaat stof staan te verzamelen, precies zoals het hoort. 

donderdag 25 juli 2024

Rood waren zijn gedachten

Pexels
Mijn meest favoriete verhaal aller tijden is geschreven door Saki en gaat over een fret die Sredni Vashtar heet. Het is een verhaal over wraak, over genoegdoening, over iemand die haar verdiende loon krijgt. In die zin is het niet echt een literair verhaal, die kennen immers zelden happy endings. Laten we zeggen dat het een literair vormgegeven jongensfantasie is.
  Sredni Vashtar gaat over een jongetje (Conradin) dat wordt opgevoed door zijn nicht (mevrouw De Ropp, oftewel de Vrouw). Voor de Vrouw is Conradin een ergerlijk, moeilijk te controleren element dat haar propere huishouden en haar keurige burgerlijke voorkomen verstoort. Conradin heeft slechts één plek om aan haar blik te ontsnappen: een schuurtje waar hij een Houdankip en een fret heeft verstopt. De Houdankip overstelpt hij met ‘liefde die elders geen uitweg vond.’  Voor de fret heeft hij grote angst en bewondering:
 
Conradin was vreselijk bang voor het lenige beest met zijn scherpe tanden, maar het was zijn dierbaarste schat […] Iedere donderdag, in de gedempte en schimmelige stilte van het schuurtje, hield hij een mystieke, omstandige plechtigheid voor de houten kooi waar Sredni Vashtar, de grote fret, troonde.
 
Dan slaat het noodlot toe: de Vrouw krijgt in de gaten dat Conradin zich ergens mee vermaakt:
 
‘Het is niet goed voor hem daar bij alle weer maar rond te scharrelen,’ bedacht ze dadelijk, en op een goede morgen bij het ontbijt kondigde ze aan dat de Houdankip de avond tevoren weggehaald en verkocht was. Met haar bijziende ogen gluurde ze naar Conradin, wachtend op een uitbarsting van woede en verdriet, klaar om die weg te praten met een stroom van belerende argumenten.
 
De kooi met de fret, helemaal achter in het schuurtje, heeft ze echter nog niet ontdekt. Conradin blijft dus bidden tot zijn god:
 
‘Doe één ding voor mij, Sredni Vashtar.’
 
Hij blijft naar het berghok gaan, zodat het niet lang duurt voordat de Vrouw ook het tweede kooitje ziet:
 
‘Wat heb je in dat afgesloten kooitje zitten?’ vroeg ze. ‘Het zijn zeker marmotten. Ik zal ze allemaal laten opruimen.’
 
Vanuit de eetkamer moet Conradin toekijken hoe de Vrouw het schuurtje binnenmarcheert. Straks zal ze weer naar buiten komen en dan zal zijn god veranderd zijn in een doodgewone bruine fret en zal de Vrouw getriomfeerd hebben, zoals ze altijd triomfeert. Hij begint de hymne te zingen van zijn bedreigde afgod: 
 
Sredni Vashtar ging heen.
Rood waren zijn gedachten en zijn tanden wit.
Zijn vijanden smeekten om vrede, maar hij bracht de dood.
Sredni Vashtar, de schone.
 
De minuten kruipen voorbij, terwijl de hoop ‘centimeter voor centimeter zijn hart insluipt.’ Dan is er eindelijk de verlossing:
 
[…] uit de deur kwam een lang, laag, geelbruin beest met rode natte vlekken op de pels rond zijn keel en zijn klauwen, dat met zijn ogen knipperde tegen het schemerige licht.
 
Conradin valt op zijn knieën, een ‘zure meid’ gaat maar eens kijken waar haar meesteres blijft, en terwijl in het huishouden van de Vrouw totale hysterie uitbreekt, en ze met elkaar ruzie maken over wie het ‘de jongen’ moet gaan vertellen, roostert Conradin op zijn gemak een broodje, iets wat de Vrouw hem altijd verbood, omdat het van die vervelende kruimels geeft.

vrijdag 19 juli 2024

Als losse tanden in een emmer

RGB Free, by crisderaud
Wat is een goede literaire tekst? Staat het vol met spitsvondige vergelijkingen, of is het juist zo karig en to the point mogelijk? Michael Chabon kiest in ‘De Jiddische politiebond (DJP)’ duidelijk voor de eerste school. Een voorbeeld:
 
Binnen is het zo leeg als een nachtbus naar de remise en het stinkt twee keer zo erg. Er is pas iemand binnen geweest met een emmer chloor om de constante baspartij van zweet en urinoirs in De Vorsjt van wat hoge tonen te voorzien. Een scherpe neus kan daarboven, of eronder, ook nog de jasvoeringlucht van versleten dollarbiljetten ontdekken […] De ronde tafeltjes die zich om het podium verdringen hebben omgekeerde stoelen op, als geweien […] Mevrouw Kaloesjner loopt de achterkamer in en het kralengordijn klettert achter haar neer met het geluid van losse tanden in een emmer.
 
Een nachtbus op weg naar de remise, zweet en urinoirs die een baspartij vormen en bestaat chloor uit hoge tonen? Wat is in vredesnaam een ‘jasvoeringlucht’? Hoe klinken ‘losse tanden in een emmer’? 
 Een van de problemen met deze laatste metafoor is dat ik nu helemaal weg ben bij mevrouw Kaloesjner en haar kralengordijn. Ik zie nu een emmer vol tanden voor me. Waar komen die tanden vandaan? Welke zieke geest heeft een emmer vol met tanden gevuld? Wie weet in vredesnaam hoe een emmer met losse tanden klinkt? 

  Ik moet tijdens het lezen van DJP vaak aan Raymond Carver denken, ook een Amerikaanse auteur, maar dan van de tegenovergestelde literaire school. Carver schrijft uitgebeende, realistische korte verhalen over sores in de lagere middenklasse. Bijvoorbeeld het verhaal ‘What’s in Alaska?’
  Dat verhaal gaat helemaal nergens over. Jack heeft nieuwe schoenen gekocht, ‘for comfortable wear.’ Diezelfde avond is hij samen met zijn vrouw Mary uitgenodigd bij Helen en Carl. Carl heeft van Helen een waterpijp voor zijn verjaardag gekregen en die willen ze uit proberen. Dit levert onder meer de volgende dialoog op, als de kat van Carl en Helen met een muis binnen komt lopen:
 
The cat carried the mouse into the living room, stopped to look at them, then carried the mouse down the hall […]
  “She’s eating the mouse,” Carl said.
  “I don’t think I want her eating a mouse in my bathroom,” Helen said. “Make her get out of there. Some of the children’s things are in there […]
  “What the hell, Carl said. “Cindy’s got to learn to hunt if we’re going to Alaska.”
 
Natuurlijk gaat helemaal niemand naar Alaska, iedereen gaat de volgende dag gewoon weer aan het werk.
 'Er is veel leed in de Tweede Helmersstraat', schijnt Mulisch eens gezegd te hebben, 'alleen ik wil dat niet weten.'
  Huiskamertjesrealisme wordt dit soort proza ook wel genoemd. Toch raakt Jack, met zijn nieuwe schoenen waar hij niet helemaal zeker van is en zijn baan waar hij al jaren genoeg van heeft, me meer dan mevrouw Kaloesjner met haar kralengordijn dat klettert als tanden in een emmer. 
  Wat niet wil zeggen dat DJP helemaal waardeloos is, onder het bloemrijke proza zit een boeiende roman verborgen over een moordzaak in de fictieve staat die de Joden in een parallel universum in Alaska hebben gesticht. De Volkskrant blurpt:

  "[...] een wereld die afwisselend cynisch, humoristisch an angstwekkend is, maar soms ook ruimte biedt aan tederheid."

Dat je precies hetzelfde kunt zeggen over de wereld van Donald Duck zullen we Chabon maar niet kwalijk nemen. 

dinsdag 25 juni 2024

Heterofoob

Blanke heteromannen zijn losers zonder smaak. Aldus Wouter van Oorschot in zijn boekje  'Dylan en wij zonder Amerika'. Blanke heteromannen maken 'smurriemuziek', onderdrukken vrouwen en het zijn beroerde minnaars:

En op zijn minst 99 van de honderd zijn nog te vervuld van zichzelf ook om hun lief aangenaam te kunnen bevredigen omdat ze te snel klaarkomen en, nadat ze hun kwakje kwijt zijn, in onmacht en daarna doorgaans in slaap vallen.

Er gaat van alles mis in deze zin, maar het meest opvallend is toch wel het klakkeloos en belegen generaliseren over een complete bevolkingsgroep. Schrijft je zo'n kreupelzinnetje over een willekeurige andere bevolkingsgroep dan gaat er op de uitgeverij een dikke streep doorheen. 
  Maar dit gaat over blanke heteromannen, dus Van Oorschot kan op deze manier een pagina of twintig door emmeren, totdat hij eindelijk bij iets van een punt aankomt: Bob Dylan zou aan die verschrikkelijke blanke heteroseksuele liefdesmoraal zijn gaan morrelen, bijvoorbeeld met een liedje als It Ain't me babe:

I'm not the one you want, babe
I'm not the one you need
No no no it ain't me babe
I aint the one you're looking for babe

Volgens Van Oorschot is de tekst van dit liedje een 'aanklacht tegen de bezitsdrift in liefde.' Eindelijk wordt die vuile, bezitterige heteromannen door Dylan eens een spiegel voorgehouden, in tegenstelling tot andere liedjes waarin volgens Van Oorschot:

... het in de praktijk neerkwam en nog altijd neerkomt op religieuze moraalridders wereldwijd, dat wil zeggen heteroseksuele mannen die er nog steeds geen pest voor voelen om de traditionele huwelijksmoraal eindelijk eens fors aan te pakken ten gunste van de vrouw...

Volgens is mij is dat hele It Ain't me babe niets meer dan een wat creatievere uitvoering van het standaard relatie-uitmaak-zinnetje 'het ligt niet aan jou, het ligt aan mij', maar goed. Van Oorschot wil weer even op zijn blanke heteromannen bashende, progressief dichtgetikt woke-trommeltje slaan en daar trekt hij Dylan vervolgens aan de haren bij. 
  Al met al is 'Dylan en wij zonder Amerika' een vreemd mengsel van borderline onbegrijpelijke en extreem wollige, vergezochte tekstanalyse en een modieus bashen van alles wat blank, man en heteroseksueel is. 
  En dan vergeet ik nog Amerika. Oh oh, wat heeft onze Wouter een hekel aan Amerika. Niet alleen de Amerikaanse muziek in de jaren veertig was 'witte smurrie', ook de filmindustrie was niet veel soeps:

Belangrijkste veroorzaker hiervan was de door Walt Disneys tekenfilms nog versuikerde liefdes- en huwelijksmoraal die door de blanke meerderheid in dit door en door christen-conservatieve land als vanzelfsprekend werd beschouwd...

Ongelooflijk blijft het toch dat die vuile blanke, christelijke conservatieven er in hun hoofdzakelijk door blanke, christelijke conservatieven bewoonde land een blanke, christelijke conservatieve moraal op nahielden. Wat een verschrikkelijk volk. Zit in hun eigen land gewoon een beetje blank, christelijk en conservatief te wezen, uitschot dat het is. 
  Tussen al die blanke, hetero- en Amerika-haat door verkondigt Van Oorschot ook nog dat die Nobelprijs voor Literatuur van Dylan dik verdiend is, wat me onzin lijkt. Dylans teksten zijn weliswaar beter dan vijfennegentig procent van de rest van de popteksten, maar  je gaat ook geen Grammy aan een schrijver geven omdat hij toevallig leuker op de piano kan pingelen dan de rest van de schrijvers.
  Is er dan niets positiefs over dit boek te melden? Misschien dat Van Oorschot er ook nog in slaagt zichzelf als een verschrikkelijke hypocriet te ontmaskeren. Nadat hij een pagina of dertig op die kutmuziek luisterende, kutfilms kijkende, vrouwen seksualiserende heteromannen heeft ingehakt, slaagt hij erin om zelf de meeste seksualiserende passage over Dylan op papier te kwakken die ik ooit in een biografie gelezen heb. Over een ceremonie waarbij Dylan een prijs krijgt en James Baldwin de tafelheer is schrijft Van Oorschot:

Met als tafelheer de flamboyante homoseksuele schrijver James Baldwin (1924-1987), die voorafgaand aan Dylan de tafelrede zou uitspreken en wie weet ook van de aanblik van die knappe jongen naast hem genoten heeft, dronk Dylan naar verluidt meer dan verstandig was...

Eerst een half boek op seksistische hetero's inhakken om vervolgens Dylan neer te zetten als een 'knappe jongen' waar je je lekker aan kan verlustigen, dan ben je wel een bijzonder hypocriete heterofoob.

dinsdag 18 juni 2024

Een Dylaneske songtekst 2.0 (of: iedereen kan musiceren)



Vers 1
 
Niemand kon ons gisteren kisten
toen we Repelsteeltjes geheugen wisten.
Een schoenenzaak gerund door zeven biggen
waar Assepoes haar schoen liet liggen.
De junk zocht zijn naald vergeefs in het hooi
zong zielloos onder een indianentooi.
Al Bundy kwam net op tijd binnen
om 'Married with Children' voor te zingen.
Prinses Maxima miste de tweede mis
dook onder in haar vaders gevangenis
waar het tribunaal bijeen was gekomen
om Johan Derksen grapjes te tonen
van een Argentijnse zwabberpiloot
die hem dropte in een roetzwarte moddersloot.
 
Refrein
 
Vergeef onze zonden op één
dan breken we het brood in twee.
Rapper Akwasi maakt de heilige drie
tot een eenheid als ik jou niet meer zie.
 
Vers 2
 
In Wuhan vliegen zwarte vlerken
tussen de mistig verzakte zerken.
De aarde zucht onder teveel aan stof
jaagt achter vlinders als Nabokov.
Geef me je hand als ik het vraag
ben je te laat dan ben je te traag.
Zoals de Verlosser de ruimte zag
waar de back in moest sprinten
zo zoekt de kat op zijn gevoel
naar de muis tussen de plinten.
Verjaag de muizenissen in je hoofd
met de alcohol die je is beloofd
smeer het op je handen, smeer het in je haar
voor je het weet is de lock-down weer klaar.
 
Refrein
 
Vergeef ons onze zonden op vier
dan mogen we snel weer aan het bier.
We lossen de zaak op als De Vijf
en ontsnappen uit ons quarantaine-verblijf
 
 
Vers 3
 
Aristoteles ging als een beest tekeer
midden in zijn argumentatieleer.
Hij liet Plato zo hard schrikken
dat hij zijn Ideeën naar beneden mikte.
Zijn hond zat steels te grommen
hij noemde hem Pluto wat kon het hem bommen.
Alles was om de Geest begonnen
het lichaam verworden tot zonde.
Vastgelegd in het alfabet
de Verlosser gaf de laatste zet.
Nu zitten we met de gebakken peren
Al Bundy kan ons nog wat leren
als hij pokert met Socrates
geeft hij Maxima en Johan les
in stoïcijnse overtuiging
Zlatan maakt voor niemand een buiging.
 
Refrein
 
Vergeef ons onze zonden op zes
bijna al je pionnen zijn binnen.
'Mens erger je niet' is de les
dan gaan we het potje wel winnen.


Bonustrack:



donderdag 6 juni 2024

Sneer

Op 28 augustus 1964 wandelde Bob Dylan de hotelkamer van de Beatles in New York binnen om ze hun eerste joint aan te bieden en zo de popgeschiedenis voorgoed te veranderen:

 

Onder meer onder de invloed van marihuana, en natuurlijk de albums van Dylan die hij allang gehoord had, begon Lennon meer 'à la Dylan' te schrijven. Zoals hij later samenvatte: 

Ik dacht: dat soort rotzooi kan ik ook maken. Je plakt een paar beelden aan elkaar, verbindt ze en je noemt het dan poëzie.

Een nummer waarin Lennon 'wat beelden aan elkaar plakte' zodat het 'poëzie' wordt, is Norwegian Wood:



Het fenomeen 'Lennon die Dylan doet' leek Dylan maar matig te bevallen, een jaar later komt Dylan met een nummer dat wel omschreven wordt als 'Dylan die Lennon imiteert die Dylan imiteert':



Behalve de duidelijke overeenkomst in melodie, lijkt ook 4th time around over een matig geslaagde liefdesaffaire te gaan, waarbij de tekst doorspekt is met innuendo. De laatste zinnen worden wel geïnterpreteerd als een directe sneer van Dylan naar Lennon:

I never asked for your crutch
Now don't ask for mine

Die 'crutch' zou dan Dylans poëtische dichtschrijverij kunnen zijn, waar Lennon lekker makkelijk op mee zou liften. Als het daadwerkelijk een sneer van Dylan naar Lennon is, is het wel een beetje een hypocriete sneer. 
  Zoals alle grote kunstenaars was ook Dylan zelf niet vies van leentjebuur spelen hier en daar. Een van de eerste nummers waarmee Dylan zelf de overgang maakte van folkzanger met realistische, rauwe teksten naar meer poëtisch geïnspireerde tekstdichter, is het apocalyptisch aandoende  A Hard Rain's A Gonna Fall:


Een indrukwekkend nummer, geschreven door een piepjonge Dylan, die echter ook dankbaar gebruik maakt van een 'kruk' in de vorm van een 17e eeuwse Schotse ballade:


Iedereen leent van iedereen en zoals Dylan zelf opmerkt in 4th time around: 

But she said: "Don't forget
Everybody must give something back
For something they get."

Wat weer doet denken aan zo ongeveer het allerlaatste statement van de Beatles, op hun zwanenzang Abbey Road:

And in the end
The love you take
Is equal to 
The love you make