dinsdag 19 april 2011

Panda

Foto: flickr, by The Bode
Ze zakten met z'n drieen langzaam Den Bosch binnen: Panda, Mees en Boelie. Panda was blond en slurpte aan een slurry, Mees leunde zelfverzekerd met zijn schouder tegen de reling van de roltrap, met zijn andere hand stak hij frietjes in zijn mond. Hij sprak tegen Panda, die zijn praatjes over zich heen liet komen. Boelie stond een treetje hoger en keek over de reling de diepte in, want Mees 'had Panda teerst gezien en aangesproken en mocht nu het dichts naast haar lopen.'

Dat laatste is de derde zin uit Het leven is Vurrukkuluk van Remco Campert over drie jongeren die een zomerdag in het Vondelpark rondhangen, praten, vrijen, drinken, praten en drinken. En feest vieren, natuurlijk, want dat ben je als jongere verplicht.

Het trio van Campert is een archetype: je ziet ze in de zomer overal opduiken. De vlotte jongen met de babbel, het sletterige meisje dat het zich een beetje laat aanleunen en als hij echt zo nodig wil dan gaat ze wel met hem naar bed en de slome vriend die er een beetje bijhangt en met zijn gedachten elders lijkt te zijn.

'Hij koketteert met zijn verlegenheid', zegt Mees over Boelie tegen Panda, 'Eén van zijn weinige charmes.'

Het boek eindigt met één van de geweldigste zinnen om een boek mee te eindigen:

'Een gevoel van geluk, zo hevig als hij het nog nooit had gekend, stroomde door hem heen en verzoende hem met bijna alles.'

Het is pas zomer als je Boelie, Mees en Panda door de stad hebt zien slenteren.

zaterdag 16 april 2011

Tanks

Foto: flickr, by Craig A Rodway
Vandaag vertrekt een vriend van mij voor onbepaalde tijd naar Amerika. Het zijn dit soort momenten die me doen realiseren dat we geen zeventien meer zijn. Natuurlijk weet ik wel dat we geen zeventien meer zijn, maar ik sta er zelden bij stil. Sommige jaren lijken te zijn verdampt, voor mijn gevoel fietsten we gisteren nog met z'n allen naar de stad om uit te gaan. Waarschijnlijk kijk ik over veertig jaar in de spiegel en schrik ik me kapot: ik ben oud geworden. De tijd is genadeloos en trekt alles met zich mee. Het dorp waardoor we fietsten is mijn dorp al niet meer: andere tijd, andere mensen. Verveeld halen de straten hun schouders op als ik vertel over de avonturen van mijn jeugd: lang geleden opa, zoek een hobby.

In Paranoia analyseert W.F. Hermans zijn motieven om te schrijven:

'Ik schrijf, omdat ik in iedere gedachte die ik vergeet, verloren ga.'

Schrijven als wanhoopsoffensief, schrijven als stenen gooien tegen de massieve tanks van de tijd. Veel is het niet, maar het is beter dan niets.

donderdag 14 april 2011

Spuitje

Foto: flickr, by Dave-F
Michel Preud'homme springt uit zijn bed: kwart over vijf, tijd om te douchen. Terwijl het water warm wordt doet hij snel 200 push-ups: even wat energie kwijtraken. Hij droogt zich af en schreeuwt tegen zijn vrouw dat ze koffie moet zetten: zwart, zonder suiker. Hij denkt aan vanavond: Villareal, 5-1 achter, hoe moet Twente dit nog om gaan buigen?
  Hij besluit Fred Rutten te bellen, die staat 4-1 achter, misschien heeft die een idee'tje.
  'Met Fred.'
  'Met Michel, ben je wakker?'
  'Nu wel ja. Potverdorie, half zes. Wat er is aan de hand?'
  'Voetballen vanavond!'
  'Tuut, tuut, tuut.'
  Preud'homme giet snel de complete kan koffie in zijn broek en trekt zijn jas aan. Hij scheurt in zijn Opel naar het stadion, voor de hoofdingang ligt een dikke zwerver. Even twijfelt hij, maar dan stopt hij, rent uit zijn auto en schopt de zwerver tegen zijn zij.
  Kreunend opent Theo Janssen zijn ogen. Hij ligt in een plas opgedroogd bier, een shaggie kleeft tussen zijn droge lippen. Hij krabbelt overeind, Preud'homme is ondertussen snel het stadion drie keer rond gelopen om een beetje af te koelen.
 'Is het al kwart voor negen?', vraagt Theo verbaasd. 'Ik dacht gister, het is al zo laat, ik kan net net zo goed blijven hangen. Als je gaat slapen wordt je alleen maar brak weet je wel.'
  Preud'homme gaat op zijn handen staan, spring vier keer op en neer, maakt een koprol en rent terug naar zijn auto. Thuis zit zijn vrouw de krant te lezen, hij rukt hem uit haar handen, vouwt hem op tot een balletje en vreet hem op.
  Wat hij nodig heeft is een list. Hij belt Fred Rutten nog maar een keer.
  'Met Fred.'
  'Met Michel, ben je wakker?'
  'Tuut, tuut, tuut.'
  De bel gaat, Preud'homme rent naar de voordeur. Vier mannen in witte jassen staan op de stoep. 'Woont Michel Preud'homme hier?'
  Op een klein tv'tje in de gemeenschappelijke ruimte ziet Preud'homme die avond hoe Twente met 3-1 verliest. De dokter belt de verpleging om door te geven dat ze een spuitje extra mogen geven.

maandag 11 april 2011

Zonnebril

Foto: flickr, by jonklinger
Het was kwart voor negen en de bus schepte bijna een scooter. Achter me praatten twee mannen een beetje lacherig over een collega die er een tijdje 'uit was geweest.'
  Hij was weer terug, maar hij had geen kamer meer.
  'Welke verdieping zit je dan', informeerde de ene man quasi-behulpzaam door de telefoon. 'De derde? Henk en ik komen er zo aan, komt wel goed man.'
  Nadat hij opgehangen had praatten de twee mannen over Harry, die het moeilijk had. De voldaanheid over het feit dat ze het zelf niet moeilijk hadden kon je met handen vol uit de lucht scheppen.
  De bus stopte bij Kanaleneiland, mensen stapten uit. Een brede man met een zonnebril wilde voor de bus langs meteen de weg oversteken, de buschauffeur reed hem bijna aan. De man sprong opzij een riep iets tegen de chauffeur. Die draaide zijn raampje naar beneden en riep iets over een oversteekplaats. De twee rode rondjes van het stoplicht voor de bus bleven op rood, de bus bleef staan en de zonnebril bleef schreeuwen. De chauffeur negeerde hem, de zonnebril liep naar de bus en begon op het raam te timmeren. De chauffeur draaide het raampje weer naar beneden, één van de mannen achter me riep 'twintig euro op de chauffeur.'
  De brede man liep een paar meter weg, draaide zich nog één keer om en stak zijn middelvinger op.
   'Oeoeoe', riep de man achter me, 'een middelvinger, nou nou.' Het zag er inderdaad een beetje knullig uit, zo'n brede vent met een zonnebril en dan zo'n lullig vingertje. De bus lachte, de chauffeur had gewonnen. De man achter me zei tegen zijn vriend dat de chauffeur bij het station ook al bijna een scooter had geschept.
  'Scooter', begon hij door de bus te schreeuwen, 'pas op, een fietser.'
  De bus lachte weer en de chauffeur keek zenuwachtig in zijn grote achteruitkijkspiegel. Tegenover me zat een meisje met blond haar in het zonlicht haar slaperige boterhammen te eten, het geheel leek compleet langs haar heen te gaan. De halte kwam en ik stapte uit, negen uur, de dag moest nog beginnen.

vrijdag 8 april 2011

Oorlog

Foto: flickr, by Christiaan Tonnis
Gisteren heb ik voor zeven euro een boekje gekocht dat door veel mensen beschouwd wordt als het grootste filosofische werk van de twintigste eeuw: de Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein.
  Het werk opent met stelling 1: The world is all that is the case en eindigt met stelling 7: What we can not speak about we must pass over in silence. Hiertussen probeert Wittgenstein een antwoord te formuleren op grote filosofische problemen als kenleer, ethiek en 'het mythische'. In zijn inleiding beweert Wittgenstein dat hij (1) definitieve antwoorden op veel filosofische problemen heeft geformuleerd en (2) heeft aangetoond hoe weinig er eigenlijk bereikt is als deze antwoorden gevonden zijn.
  'Je kan beter poëzie gaan lezen', schijnt Wittgenstein zijn studenten gezegd te hebben, 'daar leer je meer van dan van filosofie.'

  Nadat hij naar eigen zeggen alle filosofische problemen had opgelost ging hij lesgeven op een basisschooltje, alwaar hij de kinderen hogere wiskunde probeerde bij te brengen. Op een gegeven moment kwam hij echter tot de conclusie dat hij alle problemen misschien toch niet helemaal had opgelost en schreef hij zijn tweede grote werk, voor een groot deel een aanval en commentaar op het eerste. Niet alleen voetbal is oorlog, filosofie is het ook. En als er geen waardige tegenstanders te vinden zijn, dan verklaart de filosoof gewoon de oorlog aan zichzelf.

woensdag 6 april 2011

Informatie

Foto: flickr, by thebruce0
Vandaag stond ik in de lift met voormalig minster van defensie Frank de Grave. Ook schreef ik een stukje dat eerst naar een coördinator ging en vervolgens na werd gekeken door iemand van de eindredactie.
  Dat is nog eens andere koek dan achter je computer de blogger uithangen.
Om niet al te zeer uit de toon te vallen, hield ik mijn mening over Ola Toivonen en Linda de Mol in het stukje maar even voor me.
 Een bijkomend voordeel van mijn nieuwe baan is dat ik voor mijn werk boeken mag lezen, boeken die nog niet eens officieel uit zijn gekomen. In de trein lees ik in een boek dat nog niemand heeft. Af en toe leg ik het nonchalant op het tafeltje, niemand reageert. Mensen slapen, of ze staren voor zich uit. Ik pak het boek op en lees weer verder. Als ik Frank de Grave nog een keer tegenkom, zal ik een veelbetekenende blik met hem wisselen. Classified information, daar weten Frank en ik alles van.

dinsdag 5 april 2011

Hark

Foto: flickr, by florian_out
Vanochtend stond ik voor het eerst sinds lange tijd weer eens in de vroege morgen op een station. Ik bevond me tussen het volk waar Mark Rutte zo dol op is: mensen die iets van hun leven willen maken. Ik keek naar de mensen die iets van hun leven willen maken.
  Het waren onopvallende types, de carrieremaker beweegt zich als een soepele machine, hij geeft de satiricus weinig mogelijkheden voor een schot. Het haar zit goed, maar niet al te opvallend goed. Er is een krant, een kop koffie, een koffertje. Er is een soort rustige doelmatigheid.
  Daar kun je als sardonische stukjesschrijver dus helemaal niets mee.
Ik maakte een lijstje van de mensen die je niet om half acht 's-ochtends op een perron ziet. Bejaarde mensen, kinderen. Gehandicapten, blinde mensen.
  Er kwam een duif voorbij. Er keek een vrouw mijn kant op, dat beloofde iets. Ze schrok er zelf waarschijnlijk van, ze keek snel weer in haar krant. De duif was dik, niet echt een scherpe observatie. De trein kwam. Ook in Utrecht bevond ik me tussen frisse en doeltreffende mensen, ik snap niet waar die Rutte zich zo druk over maakt.
  Aan het einde van de dag zat ik op de terugweg achter een donkere vrouw met een groene hark in een plastic zak. Helaas was ik te moe om af te luisteren waar ze die hark voor had gekocht, ze tetterde in een telefoontje maar mijn aandacht ebde weg. Iets van je leven maken: je moet er wat voor over hebben.