zaterdag 30 april 2011

Liefdesverdriet (2)

Foto: flickr, by maoi
Het is half negen 's-ochtends als we enigszins bedremmeld aanbellen bij de witte villa van Onderkaak. De deur zwaait meteen open. Onderkaak zit strak in het pak, zijn zwarte haar keurig in een verse scheiding. Op zijn witlederen sofa presenteert hij ons een cappuccino ('ik zit zelf al weer aan mijn derde') en legt hij uit waarom hij ons heeft gebeld:

'De raad van bestuur las jullie artikel en was niet zo blij met de profielschets die daar uitkwam. De universiteit van Apeldoorn presenteert zich graag als maatschappelijk betrokken, mijn opmerkingen over vrouwen en mietjes schenen daar uit de pas mee te lopen. Graag neem ik jullie een dagje op sleeptouw om jullie mijn andere gezicht te laten zien.'

Onderkaak presenteert zich inderdaad uiterst correct, hoewel in zijn zwarte Saab zijn oude gezicht alweer tevoorschijn komt:

'Hoer!', roept Onderkaak, als een vrouw met kinderwagen niet snel genoeg oversteekt. Vervolgens somt hij de mensen op die volgens hem niet kunnen rijden:

'Vrouwen, bejaarden, allochtonen, jonge ventjes, Turken, Marokkanen, homo's.' In zijn woede lijkt Onderkaak de profielschets van de vorige keer alweer vergeten te zijn. Mijn vrouwelijke collega kijkt chagrijnig uit het raam.

'Misschien kan je ze onder de scanner leggen', mompelt ze als Onderkaak eindelijk uitgeraasd is, 'dan kan je zien wat er aan ze scheelt.'

Het sarcasme lijkt Onderkaak te ontgaan, verheugd kijkt hij in zijn achteruitkijkspiegeltje: 'dat is helemaal geen gek idee.'

Aangekomen bij het Broca-instituut scheurt Onderkaak het grind op en parkeert zijn auto recht voor de ingang.

'Ik ben aankomend professor', verklaart hij als we uitstappen, 'ik mag mijn auto zetten waar ik wil.'

Tijdens onze gang door het instituut zien we links en rechts mensen wegschieten op het moment dat ze Onderkaak ontwaren, iets wat de aankomend professor zelf lijkt te ontgaan.

'Ik ben zeer geliefd', verklaart Onderkaak terwijl hij zich ongegeneerd uitkleedt en zijn witte labjas aantrekt, 'ik ben de toekomstig leider van dit instituut.'

(to be continued..)

vrijdag 29 april 2011

Liefdesverdriet (1)

Foto: flickr, by ekai
Het nieuwste van de wetenschap: onderzoekers van de Universiteit Apeldoorn zijn bezig met een onderzoek naar het hersensubstraat van liefdesverdriet. Is liefdesverdriet vergelijkbaar met een depressie?
  Deze vraag houdt onderzoekers van de afdelingen Hersenwetenschappen dusdanig bezig dat ze vrouwen met liefdesverdriet onder de scanner willen leggen. De onderzoekers vermoeden vooral activiteit in het limbisch systeem, de prefontaalcortex en de amygdala te vinden. Zowel vrouwen van rond de twintig als vrouwen van tussen de veertig en vijftig jaar doen aan het onderzoek mee.

‘Dat geeft ons een kans om de gevolgen van verdriet om een relatief korte liefde te vergelijken met de gevolgen van mensen die bijvoorbeeld in een scheiding liggen’, aldus onderzoeksleider Edwin Onderkaak.

Tijdens het onderzoek zullen de vrouwen met beelden en namen van hun ex-partners geconfronteerd worden, terwijl met een MRI de activiteit in verschillende hersendelen gemeten wordt. Op de vraag of de onderzoeksleider zelf wel eens last heeft gehad van liefdesverdriet, antwoordt hij ontkennend:

‘Ik doe niet mee aan die onzin. Ik vind het eigenlijk typisch iets voor vrouwen en mietjes. Maar aan de andere kant ben ik wel weer nieuwsgierig; waar gaan al die zielige liedjes toch over, denk ik weleens als ik de radio aan heb staan.’

Onderkaak heeft naast zijn medische nieuwsgierigheid ook nog een andere motivatie voor dit revolutionaire onderzoek:

‘Als ik weet welk chemisch proces precies verantwoordelijk is voor al dat gedoe dan kunnen vrouwen nooit meer zeggen dat ik ze niet begrijp.’

Hij trekt een verbeten gezicht, giet zijn vijftiende kopje koffie van de dag achterover en maakt ons duidelijk dat het interview is afgelopen:

'En nou oprotten, ik heb nog meer te doen.'

De resultaten van het onderzoek worden medio 2012 verwacht.

zaterdag 23 april 2011

Regen

Foto flickr, by amandabhslater
Sinds enkele jaren ben ik in het geheim al het tweedehands proza van Remco Campert uit de Slegte van Den Bosch aan het verzamelen. Om de zoveel maanden loop ik naar binnen om te kijken of ze het hebben aangevuld, vaak om zeer tevreden met een tweedehandsboekje van twee of drie euro weer naar buiten te lopen. Natuurlijk is mijn systeem niet waterdicht, er zou zomaar een boekje van Campert in een tussentijd in het rek geplaatst en door een concurrerende Campert-verzamelaar aangeschaft kunnen worden, maar ik heb niet het idee dat er veel boekjes door de mazen van mijn net glippen.
  Naast het feit dat Campert een geweldig schrijver is, is Campert ook herkenning.
  Zo staat er al op de eerste bladzijde van 'Zachtjes neerkomen' (eergisteren aangeschaft, 3 euro):
 
  'Een uiterst fijne motregen hing in de straten... Hij hield van dit weer. Anders dan blinkend zonlicht, striemende regen of bijtende kou, stelde het geen eisen aan hem, terwijl het toch niet karakterloos was. Het was weer dat hem in zich opnam zonder erop aan te dringen.'

  Enkele keren heb ik geprobeerd uit te leggen wat ik tegen felle zomerzon heb, aan mensen die me in wisselende gradaties van bezorgdheid dan wel meewarigheid aankeken. Ik vind de zon, zeker als je geen vakantie hebt, van een stuitende opdringerigheid. Je kan er niet aan ontsnappen, hij is als een kleverige vriend die continu iets van je wilt. Sta je 's-ochtends op dan schijnt hij al door de gordijnen je kamer binnen, en de hele dag blijft hij je achtervolgen, allesziend, je aansporend om toch in vredesnaam snel iets van deze prachtige dag te gaan maken. De zon schijnt! Ga naar het park! Ga zwemmen! Doe iets leuks! Van de weersomstuit ga ik in een geblindeerde kamer een boek zitten lezen, en wacht ik tot het weer wat slechter wordt. Ik kijk om de hoek van de kamer: is er al regen? Als er een fijne motregen is, trek ik snel mijn jas aan: naar de stad!
  Ik dacht dat ik gek was, maar gelukkig begrijpt Remco Campert wat ik bedoel.

vrijdag 22 april 2011

Anti-climax

Foto: flickr, by Selma90
Een jonge vrouw staat tegen de bosjes te schreeuwen: 'Vincent, ik weet dat je daar bent. Kom eruit Vincent.'
  Ik sta de was op te hangen, ik ben op de hand van Vincent. Als ik Vincent was dan zou ik ook lekker in die bosjes blijven zitten. De vrouw begint rondjes om de bosjes heen te rennen, af en toe doet ze pogingen erin door te dringen. Als het zo'n vijf minuten bezig is, de was is opgehangen en ik sta in de zon tegen het hekje van het balkon geleund, verander ik van kant: wie denkt dat rotjoch eigenlijk wel dat hij is.  Er kan wel ik weet niet wat aan de hand zijn, kinderlokkers, auto's, als ze hem gevonden heeft moet ze hem maar even een paar stevige tikken verkopen, desnoods wil ik haar wel even helpen.
  De vrouw begint steeds meer op een paniekerige hen te lijken, ze fladdert van links naar rechts, ze rent naar een speeltuintje om de hoek om versterking te halen. Vanaf het balkon heb ik een mooi overzicht, ik kan het hele grasveld met aan de achterkant de bosjes overzien. Ik hoop dat Vincent te voorschijn komt, dan kan ik tegen hem schreeuwen dat hij als de wiedeweerga naar zijn moeder moet gaan.
  De vrouw komt terug met andere vrouwen, het begint al een beetje op een zoektocht te lijken. De man van een paar balkons verderop klimt naar beneden. Andere kinderen beginnen zich ermee te bemoeien. Dan komt Vincent op zijn gemakje aanwandelen, hij zat helemaal niet in die bosjes. Hij draagt een shirtje van Barcelona en hij zwaait met een stok. Zijn moeder geeft hem geen klappen, wat een beetje aanvoelt als een anti-climax.

dinsdag 19 april 2011

Panda

Foto: flickr, by The Bode
Ze zakten met z'n drieen langzaam Den Bosch binnen: Panda, Mees en Boelie. Panda was blond en slurpte aan een slurry, Mees leunde zelfverzekerd met zijn schouder tegen de reling van de roltrap, met zijn andere hand stak hij frietjes in zijn mond. Hij sprak tegen Panda, die zijn praatjes over zich heen liet komen. Boelie stond een treetje hoger en keek over de reling de diepte in, want Mees 'had Panda teerst gezien en aangesproken en mocht nu het dichts naast haar lopen.'

Dat laatste is de derde zin uit Het leven is Vurrukkuluk van Remco Campert over drie jongeren die een zomerdag in het Vondelpark rondhangen, praten, vrijen, drinken, praten en drinken. En feest vieren, natuurlijk, want dat ben je als jongere verplicht.

Het trio van Campert is een archetype: je ziet ze in de zomer overal opduiken. De vlotte jongen met de babbel, het sletterige meisje dat het zich een beetje laat aanleunen en als hij echt zo nodig wil dan gaat ze wel met hem naar bed en de slome vriend die er een beetje bijhangt en met zijn gedachten elders lijkt te zijn.

'Hij koketteert met zijn verlegenheid', zegt Mees over Boelie tegen Panda, 'Eén van zijn weinige charmes.'

Het boek eindigt met één van de geweldigste zinnen om een boek mee te eindigen:

'Een gevoel van geluk, zo hevig als hij het nog nooit had gekend, stroomde door hem heen en verzoende hem met bijna alles.'

Het is pas zomer als je Boelie, Mees en Panda door de stad hebt zien slenteren.

zaterdag 16 april 2011

Tanks

Foto: flickr, by Craig A Rodway
Vandaag vertrekt een vriend van mij voor onbepaalde tijd naar Amerika. Het zijn dit soort momenten die me doen realiseren dat we geen zeventien meer zijn. Natuurlijk weet ik wel dat we geen zeventien meer zijn, maar ik sta er zelden bij stil. Sommige jaren lijken te zijn verdampt, voor mijn gevoel fietsten we gisteren nog met z'n allen naar de stad om uit te gaan. Waarschijnlijk kijk ik over veertig jaar in de spiegel en schrik ik me kapot: ik ben oud geworden. De tijd is genadeloos en trekt alles met zich mee. Het dorp waardoor we fietsten is mijn dorp al niet meer: andere tijd, andere mensen. Verveeld halen de straten hun schouders op als ik vertel over de avonturen van mijn jeugd: lang geleden opa, zoek een hobby.

In Paranoia analyseert W.F. Hermans zijn motieven om te schrijven:

'Ik schrijf, omdat ik in iedere gedachte die ik vergeet, verloren ga.'

Schrijven als wanhoopsoffensief, schrijven als stenen gooien tegen de massieve tanks van de tijd. Veel is het niet, maar het is beter dan niets.

donderdag 14 april 2011

Spuitje

Foto: flickr, by Dave-F
Michel Preud'homme springt uit zijn bed: kwart over vijf, tijd om te douchen. Terwijl het water warm wordt doet hij snel 200 push-ups: even wat energie kwijtraken. Hij droogt zich af en schreeuwt tegen zijn vrouw dat ze koffie moet zetten: zwart, zonder suiker. Hij denkt aan vanavond: Villareal, 5-1 achter, hoe moet Twente dit nog om gaan buigen?
  Hij besluit Fred Rutten te bellen, die staat 4-1 achter, misschien heeft die een idee'tje.
  'Met Fred.'
  'Met Michel, ben je wakker?'
  'Nu wel ja. Potverdorie, half zes. Wat er is aan de hand?'
  'Voetballen vanavond!'
  'Tuut, tuut, tuut.'
  Preud'homme giet snel de complete kan koffie in zijn broek en trekt zijn jas aan. Hij scheurt in zijn Opel naar het stadion, voor de hoofdingang ligt een dikke zwerver. Even twijfelt hij, maar dan stopt hij, rent uit zijn auto en schopt de zwerver tegen zijn zij.
  Kreunend opent Theo Janssen zijn ogen. Hij ligt in een plas opgedroogd bier, een shaggie kleeft tussen zijn droge lippen. Hij krabbelt overeind, Preud'homme is ondertussen snel het stadion drie keer rond gelopen om een beetje af te koelen.
 'Is het al kwart voor negen?', vraagt Theo verbaasd. 'Ik dacht gister, het is al zo laat, ik kan net net zo goed blijven hangen. Als je gaat slapen wordt je alleen maar brak weet je wel.'
  Preud'homme gaat op zijn handen staan, spring vier keer op en neer, maakt een koprol en rent terug naar zijn auto. Thuis zit zijn vrouw de krant te lezen, hij rukt hem uit haar handen, vouwt hem op tot een balletje en vreet hem op.
  Wat hij nodig heeft is een list. Hij belt Fred Rutten nog maar een keer.
  'Met Fred.'
  'Met Michel, ben je wakker?'
  'Tuut, tuut, tuut.'
  De bel gaat, Preud'homme rent naar de voordeur. Vier mannen in witte jassen staan op de stoep. 'Woont Michel Preud'homme hier?'
  Op een klein tv'tje in de gemeenschappelijke ruimte ziet Preud'homme die avond hoe Twente met 3-1 verliest. De dokter belt de verpleging om door te geven dat ze een spuitje extra mogen geven.