woensdag 12 oktober 2011

Gangbusters

foto: flickr, by setaysha
Er zijn weinig taferelen waaraan je zo duidelijk kan zien dat we van de apen afstammen als de praatprogramma's over voetbal.
  Bij Studio Voetbal ligt verslaggever Arno Vermeulen duidelijk onderaan het rotsje te spartelen. Als hij het waagt om een mening te hebben duiken de andere apen erbovenop als een stelletje gangbusters. Het ondergeschikte lid moet meteen zijn plaats worden gewezen.

De inhoud van wat Vermeulen zegt doet er dan ook totaal niet toe. Het enige dat gewicht in de schaal legt is status, en dat is min of meer recht evenredig met je ervaring al voetballer.
  Als Arno oppert dat een rechtsbenige Anita op links onhandig is, klapt Jan Mulder er meteen bovenop: 'totaaaale onzin.' Had Arno gezegd dat het niet uitmaakt dat Anita rechts is, dan had Jan een beetje meewarig met zijn hoofd geschud: droevig geworden door zoveel voetbal-onbenul.
  Interessant is ook Jan van Halst. Van Halst zit een beetje in het midden. Hij heeft gevoetbald, maar was geen topper. Als van Halst iets zegt kan het vriezen of dooien. Jan Mulder kan boos beginnen te briezen of van Halst vriendschappelijk op zijn schouder gaan slaan.
  Om zijn enigszins wankele positie toch iets sterker te maken, acteert van Halst de wijze man. Voordat hij iets zegt kijkt hij een beetje peinzend voor zich uit, om zijn stelling er dan bedachtzaam uit te laten rollen.

Probleem in apenland: wat doe je als je helemaal van de rots bent afgedonderd? Apenkoning René van der Gijp zit al weken thuis: overspannen en angstig. Maar hij begint terug te komen, zijn bewegingen om de rots weer te beklimmen worden zichtbaar. In VI neemt hij alvast een voorschot:

'Van de ene op de andere seconde, alsof er een schakelaar werd omgedraaid, was ik van de wereld. Ik ging eerst als een gek transpireren.'

Signaal naar de rots: 'Ik had een hele heftige lichamelijke aandoening.'

'Achteraf beseft Van der Gijp dat hij ongezond geleefd heeft, qua werk op zijn tenen heeft gelopen'

Signaal naar de rots: 'De oorzaak was ook lichamelijk, en had een mannelijke oorzaak: hard werken.'

'Mijn vriendin werd gebeld vanuit de gevangenis in Brugge. Wanneer ik weer terug was in het programma, want ze misten me in de bajes.'

Signaal naar de rots: 'Ik heb nog steeds humor en andere mannetjes vinden me nog steeds stoer.'

Geen woord over de dood van Frits Korbach, geen woord over de beweringen van Johan Derksen dat hij bang voor de dood zou zijn. Alles was lichamelijk, en alles wordt weer toppie.
  Binnen een paar weken zit van der Gijp weer lekker bovenop de rots op zijn borst te kloppen.

zaterdag 8 oktober 2011

Beroemd

Foto: flickr, by warrenski
Ik stapte in Den Bosch in de trein, ik ging op weg naar de RAI in Amsterdam waar achtduizend huisartsen en praktijkondersteuners tegen de bezuinigingsplannen van minister Schippers gingen demonstreren. Naast me kwam een vrouw zitten, aan de andere kant van het gangpad gingen twee mannen zitten.
  'De tolkentelefoon, die gaat er ook al uit', zei de vrouw ter hoogte van Culemborg tegen een van de mannen. 'Het is niet te geloven', antwoordde de man.
  Ik pakte mijn blocnote en pen en vroeg aan de vrouw: 'Bent u huisarts?' Toen ik haar naam noteerde zei haar collega: 'Nou Els, je wordt beroemd.'
  Toen we in Utrecht aankwamen stond er een man achter ons op, hij verklaarde zich solidair te zijn met de stakende huisartsen. 'Wat jullie doen is echt belangrijk', zei de man, 'anders dan bijvoorbeeld kunst.'
  'Wat doet u, als ik vragen mag', vroeg ik aan de man. 'Ik ben journalist', zei de man, 'voornamelijk kunstjournalist.'

Een lange stroom strijdlustige huisartsen verplaatste zich van station RAI naar de RAI. Het regende, het waaide. De SP stond flyers uit te delen. In de perskamer was de flesopener zoek. Iemand vroeg of er WiFi was. Een vrouw werd gebeld, op samenzweerderige toon werd er een wachtwoord meegedeeld. Tussen de pleidooien tegen het kabinet door zong een co-assistent met een gitaar een liedje.
  Toen ik het gevoel kreeg dat de doden  bijna weer zouden gaan lopen, begon ik door de regen weer naar station RAI te ploegen. Station RAI, station Zuid, Station Bijlmer ArenA, het kan aan mij liggen maar het komt me voor als het deprimerendste stukje Nederland.
  Treinen en metro's die van nergens naar nergens gaan, van de ene Albert Heijn to-go naar de andere, gevuld met pakken die aan centjes denken en petjes die aan sigaretjes denken.

Op Utrecht Centraal liep ik achter een vrouw die een groot geel herfstblad onder haar rechter hak had zitten. Het blad werd de hele stationshal door getikt, de trap af, de buitenwereld in. Herfst. Je doet er helemaal niets aan.

zaterdag 1 oktober 2011

Vooroordelen

foto: Flickr, by Dottie Mae
De intercom ging: er stond iemand beneden aan de flat te bellen. Met tegenzin slofte ik naar de telefoon op de gang. Bezoek verwachtte ik niet, en ik had wel een idee wie het was. De psychotische buurman bijvoorbeeld, die op zoek is naar zijn ex-vriendin waar hij nog meerdere appeltjes mee te schillen heeft. Of anders wel de politie met het vriendelijke verzoek onmiddelijk het pand te verlaten omdat het bestormd dreigt te worden door tokkie-groepje nummer 1, dat in een generaties terugvoerende vete is verwikkeld met tokkie-groepje nummer 2.
  'Ja?'
  'Kinderpostzegels!'
Kinderpostzegels. Er klonken inderdaad hoge stemmetjes, maar het konden natuurlijk ook van die opgeschoten etterbakken zijn die denken dat ze grappig zijn. Voordeel van de twijfel. Openzoemen. Vier jongetjes rennen de trap op. De grootste draagt een map. Kinderpostzegels.
  Wat een geniaal idee, dacht ik bij mezelf. In plaats van te denken: 'laten we maar geen achtjarige kinderen in deze wijk loslaten en die bij willekeurige mensen laten aanbellen, de kans is net iets te groot dat er eentje aanbelt bij een psychoot die met een mes achter de deur op zijn ex-vriendin zit te wachten' , het gewoon toch doen.
  'Kom maar binnen', zei ik. Vier jongetjes verdrongen zich in mijn halletje. Jongetjes van Berberse afkomst. De ene begon onmiddelijk alle magneetjes op de koelkast te herrangschikken. De tweede begon uitgebreid naar binnen te loeren. De derde vroeg: 'heb jij een hond?' De vierde, de grootste met de map, vroeg wat ik wilde kopen.
  Ik kruiste wat dingen aan, een tweede groep jongetjes rende ondertussen naar boven. 'Ze zijn je fiets in elkaar aan het schoppen', schreeuwden ze tegen het oudste jongetje. 'Wie', vroeg deze, weinig onder de indruk. 'Huppeldepup en huppeldepup, omdat jij hun fiets in elkaar heb geschopt.' 'Moet ik deze getallen zelf bij elkaar optellen', vroeg ik aan het jochie. Hij begon het uit zijn hoofd uit te rekenen en kwam met een getal op de proppen. 'Ik pak wel even een rekenmachientje', zei ik.
  Ik rekende het na, verdomd dat het nog klopte ook.
  Toen ze allemaal schreeuwend de trap weer af waren gerend, telde ik onmiddelijk mijn magneetjes na. Ze waren er allemaal nog.

zondag 25 september 2011

Wenen

Foto: flickr, by Sarah Braun
In de lente van 1991 was ik tien jaar oud (bijna 11!) en deed ik samen met mijn broertje een klusje voor de buurvrouw. Ik weet niet meer wat het was, maar wel dat de buurvrouw me voor een duivels dilemma stelde: wilde ik vijf gulden ontvangen voor de verrichtte diensten of een klein rood radio'tje?
  Ik koos voor het kleine rode radio'tje en 's-avonds in bed luisterde ik naar de muziek die werd uitgezonden. Er zat een prachtig nummer bij waar ik altijd erg somber van werd maar wat ook schitterend was en iets zei over alles dat er is en dat er nu eenmaal niets aan te doen is. Het stond in de Nederlandse Top Veertig en het heette Loosing my Religion. 
  Een paar jaar later zat ik op de Middelbare School en kreeg ik een bandje van een vriend met muziek die hij erg mooi vond, een band die in 1980 was opgericht in Athens, in de Verenigde Staten, een band die langzaam maar zeker aan de weg timmerde en in 1993 een geweldige hit had met 'Everybody Hurts'. Op het bandje dat mijn vriend voor me opgenomen had stond aan de ene kant 'Automatic for the people', met die nieuwe hit, en op de andere kant 'Out of Time', waar ik met de zogeheten schok der herkenning het liedje op terugvond waar ik een paar jaar eerder op het rode radio'tje naar had liggen luisteren.

  Toen werd iedereen grunge en lieten we ons haar groeien en liepen we het liefst in vieze kleren en ook REM werd een beetje grunge met 'Monster' , met daarop een nummer voor mijn nieuwe held Kurt Cobain. Maar het liefst draaide ik toch nog dat bandje met die twee prachtige albums, het ging mee op een vakantie naar Praag, met vier jongens in een auto die gestolen werd zodat ik later toch maar de cd's heb gekocht.

  REM ging vrolijk door, ik draaide 'Imitation of life' op mijn studentenkamer en toen ik een paar jaar daarna in de trein naar huis zat vanaf mijn eerste baan zat de nieuwe REM cd in mijn discman: Around the Sun met de prachtige single 'Leaving New York'.

Veel cd's leen ik niet meer, bandjes worden niet meer gekopieerd en met rode oortjes naar de radio luisteren is sinds lange tijd voorbij. Na 31 jaar houden ze ermee op, de melancholieke mannen met hun meezingbare popliedjes die uit lijken te drukken dat het leven niet makkelijk is maar dat er altijd een grote troost is en dat zijn gitaren, een drumstel en een zanger die de rotsen en de stenen nog aan het wenen kan krijgen.


woensdag 21 september 2011

Business-menu

Foto: flickr, by roberttwain86
 De zomer van 2003 was een hete zomer waar ik weinig van mee heb gekregen. Ik zat in Heerenveen om mijn co-schap Interne Geneeskunde te lopen in het Tjongerschans-ziekenhuis. De laatste tijd komen er steeds meer berichten naar boven dat ze het geld daar zo ongeveer over de reling kieperen, maar daar merkte ik destijds weinig van. Had ik wat beter opgelet dan had ik misschien ook wel een gouden handdrukje van een paar tonnen kunnen versieren.
  In plaats daarvan viel ik goedmoedige Friezen lastig met infuusnaalden en reflexhamers. Als ik na een lange dag het ziekenhuis uitliep sloeg de hitte me in het gezicht.

  Ik kan me twee boeken herinneren die ik in die zomer las: 'de Asielzoeker' van Grunberg en 'Anatomie van het gevoel' van Alexander van Es.
  Anatomie van het gevoel is verplichte kost voor elke medisch student. Het is een serie columns die aanvankelijk gepubliceerd werden in Medisch Contact.
  Van Es, een pseudoniem, beschrijft in deze columns zijn eerste ervaringen als aankomend arts in het ziekenhuis. Hij doet dit op een open manier, met aandacht voor zijn emoties en die van de patient. Dit was iets dat eind jaren zeventig niet erg op prijs werd gesteld en de publicaties ontlokten een verhit debat. De aankomend arts werd aangeraden om met de opleiding te stoppen omdat hij te gevoelig was, hij zou uit de school klappen en op de toenmalige hoofdredacteur van Medisch Contact werd druk uitgeoefend om de serie te staken.
  Zelfs W.F. Hermans bemoeide zich met de zaak. Hij schreef een column waarin hij de spontaniteit en de levendigheid van de stukken van van Es aanprees.

  Vandaag ontmoette ik de man achter het pseudoniem. Het was op een symposium over literatuur en geneeskunde in het VUmc. 
  De man die geprezen was door W.F. Hermans vroeg waar ik zoal voor schreef. Ik mompelde wat en zei: 'maar u heeft ook wat geschreven: Anatomie van het gevoel.'
  'Zeg maar je', zei hij, 'en ik heb nog wel meer geschreven.'
  Samen constateerden we dat er sinds zijn veelbesproken columns niet echt veel veranderd is: 'de patient centraal' is een loze kreet geworden die weinig meer betekent, aldus de voormalig medisch dissident.
 
  Op het symposium droeg Ronald Giphart gedichten voor van Martin Bril. De gedichten werden er naar mijn mening niet echt sterker door.
 Op de terugweg, langs de Vrije Universiteit en de Zuid-as, zag ik studenten tennissen op een tennisveld zonder net. Ook zag ik midden tussen de grote gebouwen waar stoere zakenmannen belangrijke zaken doen, een restaurantje waar bovenaan de menukaart 'business-menu' op stond.
  Ik dacht aan zakenmannen die na een dag zaken doen naar het restaurant afzakken om daar het business-menu te bestellen.  En dan dat welverdiende business-menu oppeuzelen, met een flinke business-pils erbij.  Bril had zijn lol opgekund, als hij even door het raam had mogen loeren.

donderdag 15 september 2011

'Baby don't worry, cause

Foto: flickr, by wealhtheow1
Every little thing, is gonna be allright'
 
  Het schalde door de betonnen Arena en liffte het gemoed omhoog, maar was het ook waar? Hoe kan alles in orde komen, als er geen enkele speler in de volwassenheid van zijn voetballeven meer bij Ajax voetbalt? Jonkies van 23 jaar en jonger en een enkele dertiger moesten gisteren de Amsterdamse eer tegen Olympique Lyon verdedigen.
  Ajax bulkt af en toe van talent, maar met talent alleen win je geen wedstrijden.
  Van der Vaart had bijvoorbeeld talent, hij ontwikkelde het bij Ajax en verzilvert het nu bij Tottenham Hotspur, als ze hem tenminste niet vergeten in te schrijven. Hij schijnt weer bij Ajax te willen eindigen, misschien dat hij weer terugkomt als hij 32 is, om achterin nog een beetje de lijnen uit te zetten. Een sympathiek gebaar, maar ik had liever dat hij nu de lijnen uit kwam zetten. Christian Eriksen doet zijn best, maar die is 19. In Nederland al een topper, in Europa nog te groen. En als hij wel klaar is voor het echte werk, wordt hij opgehaald door een rijke oliesjeik. Die zitten rustig te loeren tot Ajax uitgezaaid is, om met een zak geld precies op tijd het oogsten over te nemen.
 
  'Every little thing is gonna be allright.'
 
  Jammer dat Sulejmani die boodschap even gemist had, anders had hij rustig een paar balletjes naar binnen geschoven. De speaker noemde hem een tovenaarsleerling. Dat kan zijn, maar dan wel eentje die op Zwijnstein een paar cruciale lessen heeft gemist. Misschien kon hij het juiste lokaal niet vinden, de kortste afslag nemen lijkt niet zijn sterkste punt te zijn.
  Natuurlijk, soms valt alles wel even in elkaar. Dan heeft Boerrigter een prachtige trap, behoudt Eriksen het overzicht en heerst Vertonghen achterin als een Maarschalk. Maar te vaak is het ook net niet, net niet fel genoeg, net niet slim genoeg, net niet geslepen genoeg.
 
  'Every little thing, is gonna be allright.'

  Misschien had de man die anderhalf uur later nog steeds vastzat op parkeerterrein P6 iets aan deze boodschap. Hij heette Eddy en belde in bij een radioprogramma om de tijd te doden. De meeste Ajacieden zullen niet meer gehoord hebben dat Eddy de juiste oplossing uit zijn mouw schudde: het liep tegen twaalfen en ze hoorden allang braaf op één oor te liggen.

dinsdag 13 september 2011

Intellectueel moet springen

Foto: flickr, by VCU Libraries
(Lezerscolumn VI)

‘Daar kan die man toch ook niets aan doen.’ Met die woorden verweerde Keje Molenaar zich aan de nationale voetbalborreltafel van VI. Over welke man ging het? Iemand met een verstandelijke handicap, die er ook niets aan kan doen dat hij niet zo vlot is? Of ging het misschien om iemand met twee linker handen die wat stuntelig overkomt? Geen van beide, het ging over Steven ten Have, de nieuwe voorzitter van Ajax. Ten Have heeft namelijk gestudeerd. En niet alleen dat, hij is afgestudeerd in de psychologie, rechten en bedrijfskunde. In de bedrijfskunde heeft hij tot overmaat van ramp ook nog eens zijn doctoraat behaald.

In elk ander wereldje zou het hebben van titels voor je pleiten, behalve in het voetbal. Iemand die gestudeerd heeft, die is verdacht. Iemand die drie studies heeft afgerond en ook nog eens is gepromoveerd, die is vogelvrij. Johan Derksen had het al snel meesmuilend over ‘Meneer professor doctor meester’, een opmerking waar hij de lachers makkelijk mee op zijn hand kreeg.

Waar komt deze weerzin tegen titels toch vandaan? Voor een deel zal het een preventieve aanval zijn. De meeste mensen uit het voetbalwereldje hebben net de middelbare school afgemaakt, wat ze er zelden van weerhoudt om over elk maatschappelijk fenomeen een uitgebreide mening te hebben. De status die aan deze mening wordt verbonden heeft meestal echter meer met hun voetbalachtergrond te maken dan met iets anders. Wanneer er dan iemand opduikt die wel eens een boek gelezen heeft, loopt de allesweter het risico ontmaskerd te worden als een zwammer.

Iets anders is het fenomeen dat er onder voetballers sowieso een allergie voor gefundeerde kennis lijkt te leven. In plaats van de dokter van een academisch ziekenhuis te bezoeken, reizen ze af naar Servië voor een placentabehandeling. Wanneer een journalist dan aan ze vraagt wat die Servische vrouw nou precies met ze uithaalt, krijg je een wat wazige blik en een antwoord waar geen touw aan vast is te knopen.

‘Maar ze is echt heel goed’, besluiten ze hun verhaal dan zeer stellig, waarna ze zelfverzekerd maar weer eens tegen een bal aanschoppen.

Dit brengt ons bij de derde optie waarom voetballers vaak bij voorbaat al hard beginnen te lachen als er iemand met een brilletje verschijnt: ze zijn doodsbang voor de academische waarheid. De voetbalwereld is fijn afgeschermd en zit vol autoriteiten die precies weten hoe alles zit. Vervelende intellectuelen die weleens gaatjes in deze ballon kunnen prikken kunnen een keiharde tackel verwachten. Vergelijk het met een wetenschapper die het woord in een volle kerk wil nemen. En met die weerzin voor harde kennis en voorliefde voor het mythische blijkt de voetbalwereld bij nader inzien eigenlijk toch ook weer niet zo heel veel van de meeste andere wereldjes te verschillen.