zondag 17 juli 2011

Een mooi gezicht

Foto: flickr, by Surinder Singh
Co Adriaanse is terug in Nederland: wat zal hij gaan doen? Zijn CV wat betreft relletjes is indrukwekkend. Ik herinner me een ontslagen caféhoudster bij Willem II die na veertig jaren trouwe dienst haar kroketten elders mocht gaan bakken, alsook de legendarische uitspraak 'een goed paard is nog geen goede ruiter', wat sloeg op de trainerskwaliteiten van Marco van Basten en hem vervolgens bij Ajax zijn kop kostte. Co heeft vaak gelijk, en wanneer hij vindt dat hij gelijk heeft zegt hij dat gewoon, de sociale mores kan hem gestolen worden. Een tip van de sluier over de nieuwe sociale bres die Co gaat slechten werd opgelicht bij een persconferentie van FC Twente. Over Twente-speler Nacer Chadli zei Co het volgende:

'Nacer is creatief, sterk, snel, doelgericht, hij heeft een fantastische trap en hij schakelt voortreffelijk om. En die stijl hè: alles is mooi aan hem, zelfs zijn gezicht.'

Zelfs je naam is mooi, dat zong Henk Westbroek al, maar een mooi gezicht dat liegt er ook niet om. In een klap werd het me duidelijk: Co is teruggekomen naar Nederland om in het voetbal de homo-emancipatie eindelijk eens even een stevige slinger te geven.
  Nu Co zich uitgesproken heeft, kunnen spelers en trainers eindelijk vrijuit praten over de lichamelijke kenmerken die een hevige opwinding teweeg brengen.
  Frank de Boer over Theo Janssen: 'Theo is misschien niet moeders mooiste, maar heb je die dijen weleens gezien? Prachtige steunpilaren van dat volle mannenlichaam, wie zou zijn armen daar niet eens stevig omheen willen slaan?'
  Peter Bosz schijnt al druk bezig te zijn met het schrijven van een sonnet waarin hij de trouwe bruine hondenogen van Samuel Armenteiros bezingt ('Armenteiros, je naam rijmt niet voor niets op Eros') en Fred Rutten zit ondertussen met zijn handen in het haar. Na de persconferentie van Co is hij meteen zijn elftalfoto gaan bestuderen en hij blijkt tot zijn schrik verreweg het lelijkste team van de Eredivisie te hebben. Godzijdank hebben ze van de zomer Balázs Dzsudzsák verkocht, maar het houdt nog steeds niet over.

  Koortsig bladert Rutten 's-avonds door een gids met transfervrije spelers. Dacht hij dat hij goed had ingekocht, heeft die verdomde Co halverwege de wedstrijd de spelregels weer veranderd. Als schoonheid een rol gaat spelen, en scheidsrechters zullen dit ongetwijfeld op gaan pikken, dan kan hij het ook in zijn derde seizoen wel schudden.
  En Co, die wordt na een half jaar natuurlijk gewoon weer met pek en veren de Grolschveste uitgejaagd, als het eindelijk tot iedereen is doorgedrongen wat ze zich nu weer door die gladjakker aan hebben laten praten. Maar hij zal als laatste lachen, zijn werk is gedaan: een mooi gezicht, dat heeft ie voor altijd op de Nederlandse voetbalagenda gezet.

vrijdag 15 juli 2011

De NS zet bussen in

Foto: flickr, by Komimo
Wegens geplande werkzaamheden (waarbij het woordje gepland een zekere genoegzaamheid verraadt; als in: jullie denken zeker dat we in onze deprimerende NS-kantoortjes met metalen vuilnisbakjes en plantjes in de vensterbakken die al vijf maanden geleden zijn overleden alleen maar smerige koffie zitten te drinken, flauwe grappen uit zitten te halen met die ene blonde conductrice en uren op het toilet dat slecht doortrekt de Spits zitten te lezen, maar deze werkzaamheden hebben we dus mooi even lang van te voren ingecalculeerd) rijden er geen treinen tussen Den Bosch en Utrecht. De NS zet bussen in.
 
  De hel, dat is de NS die bussen inzet. In het kader van zinloos wetenschappelijk onderzoek zou ik wel eens onderzocht willen zien wat er gebeurt in een mensenlichaam als de eigenaar ervan dit zinnetje hoort. Ik schat dat de fysiologische respons ergens tussen 'ja, dat wordt een wortelkanaal' en 'penalty voor Duitsland' inzit.
  Maar goed.
De rij voor de bussen liep vanaf het station naar beneden, waar de bus stond. Maar liefst vier NS medewerkers waren ingezet om dit proces in goede banen te leiden. Eén van die vier was een dame die cadeautjes uitdeelde ter compensatie. Weinig dingen wordt ik zo treurig van als een cadeautje van de NS. Om Vergilius maar eens te parafraseren: ik vrees de NS, en als ze cadeautjes gaan geven dan voel ik me een slachtoffer dat op deportatie staat te wachten.
 De rij kringelde de bus binnen, een jonge man stond met een tikker te tellen hoeveel mensen die bus ingingen. Ook daar kreeg ik de kriebels van, gelukkig gebeurde er iets onverwachts: van beneden, over de busbaan kwam een lichtelijk verwaaide man met een vouwfiets aanrennen. Hij wilde de bus in.
  'Mag mijn vouwfiets in het ruim', vroeg hij aan de dichstbijzijnde NS-medewerker, een forse kerel die het niet slecht zou doen als kampbewaarder, om de erudiete Italiaanse spreker Silvio Berlusconi maar eens te parafraseren.
  'Meneer, ik moet u verzoeken boven aan te sluiten', schreeuwde de NS-man veel te hard tegen die vent, alsof hij een uitsmijter was die van alle kanten door hordes stijf gesnoven hooligans werd aangevallen, in plaats van een verwaaid mannetje op een station om acht uur 's-ochtends.
  'Maar mijn fiets', probeerde de man nog.
  'Meneer!'
De man keek omhoog: om achter in de rij aan te sluiten moest hij met zijn vouwfiets eerst het halve station omlopen, een roltrap omhoog nemen, een roltrap weer naar beneden nemen om dan aan te sluiten in een rij die tegen die tijd waarschijnlijk allang verdwenen was, net als de bus.
  Ik dacht aan de Joden en dat er relatief veel meer Joden uit Nederland zijn gedeporteerd dan uit Italie, terwijl Italie toch een van de asmogendheden was, maar die gedachte was natuurlijk veel te kort door de bocht dus die liet ik snel weer varen.
  De man met de vouwfiets nam een beslissing en begon te rennen. Toen ik langs de beul kwam zag ik de man net de hoek aan het einde van de busbaan omslaan. Ik ging achteraan zitten en maakte mijn cadeautje open: het was een doosje met vier dropjes erin.
  'Dat is toch aardig', zei een oude vrouw tegen haar oude vriendin.
De man met de vouwfiets heb ik nooit meer teruggezien.

donderdag 14 juli 2011

De som der delen

Het regent en het waait, een uitstekend moment om één van de beste cd's van de Beatles en, aangezien de Beatles de beste band uit de geschiedenis zijn, één van de beste cd's uit de pophistorie op te zetten: Rubber Soul.
  Rubber Soul is gemaakt op precies het juiste moment, door de juiste mensen, met de juiste producer en in de juiste studio. Het is zeg maar het Ajax van Louis van Gaal, dat in 1995 Real Madrid in het Bernabéu Stadion helemaal aan gort speelt. De Beatles zijn bij Rubber Soul de rechttoe rechtaan rock en roll van 'She loves you' voorbij, maar verliezen zich nog niet in psychedelisch gerommel. Ze zijn gefocust, maar met diepgang. Ze hebben het nog gezellig met elkaar, maar zijn ook al duidelijk individuen geworden. De karakters komen naar voren, maar in plaats van dat het botst, halen ze het beste in elkaar naar boven, ondersteunen elkaar zodat ze allemaal in hun kracht kunnen spelen.
 
  De melancholie van Lennon in nummers als 'Nowhere Man' en 'In my Life' doet je haren recht overeind staan en een nummer als 'Michelle' is één van de mooiste liefdesliedjes die McCartney in zijn Beatlestijd opnam, waarbij de anderen ervoor zorgen dat hij niet door het larmoyante ijs zakt. Andersom geldt het ook: Lennon is melancholiek, maar de achtergrondzang van McCartney schaaft net die al te scherpe randjes weg, zodat het niet de verbitterdheid en verbetenheid krijgt waar Lennon na de Beatles soms aan onderdoor gaat. Harrison krijgt de ruimte om zijn lichtelijk knorrige 'laat me met rust' en 'doe maar normaal' liedjes te zingen en waar ze hem op andere albums soms laten zwemmen, is Rubber Soul van begin tot eind een absolute teamplaat en belichaamt het van de eerste tot de laatste noot de essentie van de Beatles: dat bij een goeie band het geheel altijd meer dan de som der delen is.

donderdag 7 juli 2011

Het zwijgen van Dennis Bergkamp

Foto: flickr, by cheetah 100
(Lezerscolumn voor VI)

‘Ik was vroeger al fan van Bergkamp’, verkondigt Siem de Jong op de website van Ajax. Ook de nieuwe aanwinst Sigthórsson toonde zich blij met de nieuwe assistent-trainer: de IJslander noemde het niet minder dan een droom dat hij met de oud-spits mag gaan werken. Ik hoop maar dat de Jong en Sigthórsson het filmpje hebben gezien dat ik twee jaar geleden zag. Bergkamp liep toen stage bij Ajax en was samen met Marco van Basten in beeld, ze stonden aan de rand van het trainingsveld. Ik zou willen dat ik er meer over kon zeggen, maar ik vrees dat het precies dat was: ze stonden op een veld. Er renden wat spelers voorbij, misschien was er een partijtje gaande. Van Basten tuurde naar iets dat heel erg ver in de verte lag, Bergkamp had zijn handen in zijn zakken en klooide wat met een bal. Ze spraken niet met elkaar, ze keken niet naar de spelers.

Twee van de beste spitsen die Nederland ooit heeft gehad, maar op het trainingsveld vielen ze vooral op door een totale onthechting. Het is het wezen van de spits: de spits is alleen en scoort alleen. Zelden worden spitsen grote trainers: ze begrijpen niet waarom die andere voetballers zo moeilijk doen. Je moet de bal gewoon in dat doel schieten, wat valt daar nou niet aan te begrijpen? Bikkelende middenvelders, zwoegende voorstoppers, daar groeien trainers uit. Spitsen staren naar de lucht, net als een roofdier doen ze de helft van de tijd helemaal niets.

Het verbaast me dan ook niets dat Van Basten als trainer nooit echt helemaal uit de verf heeft willen komen, hij had beter zenboeddhisme kunnen gaan onderwijzen. En die jonge jochies die denken dat ze veel van Dennis Bergkamp gaan leren? ‘Een stapje naar voren of opzij, dat kan net het verschil maken’. Zo verklaarde de Boer de komst van Bergkamp op de bank. Dat kan wel zijn, maar denkt hij echt dat Bergkamp dat uit gaat leggen aan Eyong Enoh? Dat hij niet als een dolle dwaas in moet stappen maar beter een pasje opzij kan doen? Ik vrees dat Bergkamp kijkt, en zwijgt. Willen de spelers van Ajax echt iets leren, dan zullen ze hem tien uur per dag moeten gaan schaduwen. Ze zullen naast hem moeten lopen als hij het trainingsveld op loopt en toe moeten kijken hoe hij zijn cornflakes naar binnen lepelt. En misschien, als ze er net op het juiste moment zijn, zullen ze de wijze raad van de meester opvangen, uitgemompeld op het moment dat Eyong Enoh eerst zijn melk in het kommetje doet en dan pas de cornflakes: ‘Weet je, je moet niet zo moeilijk doen.’

Slechts weinigen zullen het begrijpen, alleen Eriksen zal glimlachen. Die heeft het allang in de gaten.

zaterdag 2 juli 2011

Tokkies


Foto: flickr, by cammaart

 In de achttiende eeuw sprak Kant in zijn essay ‘Beantwortung der Frage: was ist aufklärung’ de hoop uit dat de mens op eigen kracht na zou leren denken. In de jaren zestig van de vorige eeuw herhaalde George Harisson de boodschap als volgt: ‘Think for yourself’ (because I won’t be there for you). Zowel de hoop van Kant als de boodschap van Harisson zijn ijdel gebleken. Hoewel de jaren zestig aanvankelijk een startsein leken voor een nieuwe zwengel aan het verlichtingsproces, een nieuwe stimulans voor het zelfstandig denken, is het achteraf gezien het begin geweest voor een debilisering die nu pas zijn eindpunt lijkt te naderen. Het individualisme van de jaren zestig heeft niet geleid tot zelfstandig denkende burgers, maar tot makke schapen die alleen nog hun eigen stompzinnigheid wensen te zien. De laatste fase van dit verdommingsproces begon met het wezenloze gehang in een huis vol camera’s en is geëindigd met de handtekening van Halbe Zijlstra.

  Met ‘Ruudje’ van Big Brother maakte Nederland voor het eerst kennis met een nieuw type held: de absolute nietsnut. Met een beetje wil kon je Ruud een sympathieke nietsnut noemen, maar toch, het was een nietsnut. Dit type held kwam niet uit de lucht vallen: al sinds de jaren zestig is er een beweging merkbaar waaruit een wantrouwen van kennis en kunde blijkt. De universiteiten werden bestormd en de stoffige hoogleraren verjaagd. De zesjescultuur begon zijn opmars, kennis vergaren werd ouderwets, je eigen ding doen werd het hoogste goed. Die boodschap viel in vruchtbare aarde. Inmiddels is de gemiddelde burger een anti-intellectueel wiens helden zijn spiegelbeeld in extremis zijn: hoe dommer hoe beter. Alleen zo is de populariteit van de Tokkies, Ruudje en de jongens van Maaskantje te verklaren. Stompzinnigheid is op het voetstuk geheven waar kunde en kennis vanaf zijn geschopt.

  Met de ‘reality tv’ en de nieuwe helden leek de revolutie in stompzinnigheid bijna tot haar logisch einde gebracht. Er restte nog een stap, een laatste obstakel voordat de massamens zich definitief zonder inmenging van buitenaf aan zijn eigen onvermogen tot nadenken over kon geven. Die vermaledijde kunstenaars moesten definitief de nek worden omgedraaid. Om te kunnen genieten van kunst is vorming nodig, intelligentie en onderwijs. Kunst opent werelden van verbeeldingskracht en verbreedt het perspectief. Dat is niet meer waar we op zitten te wachten, het wekt de vage irritatie op ergens tekort te schieten. De kunstenaars van nu zijn zoemende muggen rond tevreden burgers die op de bank mee zitten te lachen omdat de deelnemers van ‘Ik hou van Holland’ het woord ‘efficiëntie’ niet kunnen spellen.

  Maar gelukkig was daar Halbe Zijlstra om de genadeklap uit te delen. Met de handtekening van Zijlstra onder de bezuinigingsplannen op cultuur kunnen de paar overgebleven stoffige intellectuelen eindelijk naar het net stappen om de boerende jongens aan de overkant sportief een hand te geven. De Tokkies hebben de wedstrijd overtuigend gewonnen.

zondag 26 juni 2011

Geld

Foto: flickr, by marttj
Dit weekend was ik in Leusden voor een filosofie-weekend: Arnon Grunberg interviewde zes denkers rond het thema 'Voorbij Goed en Kwaad.' Ik kwam evenzeer voor Grunberg als voor de Filosofie. In de lobby van de conferentiezaal lag zaterdagochtend een Volkskrant met op de voorkant de dagelijkse korte column van Grunberg. Ik las hem en vond hem erg geestig. Een half uur later kwam de schrijver in eigen persoon langs drentelen. Een lichtelijk vervreemdende ervaring: alsof je net Roodkapje gelezen hebt en de Grote Boze Wolf ineens tegen je ruit staat te tikken.
  Op een onbewaakt moment sloop ik van achteren naar Grunberg toe en zei: 'Meneer Grunberg.' Een beetje verschrikt keek hij op: wie moest er nu weer iets van hem? Ik vroeg of hij mijn exemplaar van 'Blauwe Maandagen' wilde signeren, wat hij deed. De rest van het weekend heb ik Grunberg vanachter potplanten en pilaren zo nu en dan steels geobserveerd. Als ik hem in één woord zou moeten omschrijven dan is het 'professioneel.'
  Avishai Margalit was één van de geinterviewden, hij bleek net als ik een dwaler. Meerdere keren kwam ik hem tijdens verloren momenten tegen terwijl hij diep in gedachten rond het hotel wandelde. Volgens Margalit moeten we goed nadenken over mensenrechten en ze niet te breed trekken: tijdens één van zijn wandelingen droeg hij een paraplu bij zich om zich te beschermen tegen de Nederlandse regen, maar hij betwijfelde of we van paraplu's een mensenrecht moeten maken.
  Op persoonlijk niveau zat het venijn in de staart: Grunberg interviewde Eric Schliesser, een filosoof en jeugdvriend van de schrijver, die hij in enkele van zijn openbare brieven een paar jaar geleden met de grond gelijk maakte.

  Schliesser leek er niet echt mee te zitten, of zijn heftige aanval op Paul Cobben, betreffende de al dan niet persoonlijke insteek van filosofie, moest sublimatie van agressie jegens Grunberg zijn geweest. Waarmee we op het terrein komen van Marc de Kesel, Belg en Lacan-deskundige. In zijn gesprek met de Kesel opperde Grunberg dat de mens glijmiddel is: we proberen de werkelijkheid binnen te dringen maar dat lukt niet, omdat ze onkenbaar voor ons als talige wezens is geworden. De Kesel antwoordde dat de taal het glijmiddel is: dat is de manier waarmee we de werkelijkheid proberen te penetreren. 'Dan is de mens dus de penis', zei Grunberg. 'Ja, maar de mens bestaat niet', antwoordde de Kesel, althans niet met een vast omlijnde identiteit, dat is een illusie. 'De mens is dus een imaginaire penis', luidde de conclusie van Grunberg in dit hoogstaande filosofische debat. Hier kon de Kesel zich wel in vinden en toen Grunberg vroeg wat hij in mijn exemplaar van Blauwe Maandagen moest zetten lag het antwoord voor de hand.
 
  Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik heb het sterke vermoeden dat ik in het bezit ben van het enige exemplaar van Blauwe Maandagen waarin Grunberg eigenhandig heeft geschreven: 'de mens is een imaginaire penis.' Als dat geen geld gaat opleveren weet ik het ook niet meer.

woensdag 22 juni 2011

Verklikkers

Foto: flickr, by Riemer Palstra
Het lezen van de ‘requiemroman’ Tonio van A.F.Th. van der Heijden is een ambivalente bezigheid. Enerzijds is er de sprankelende taal van Van der Heijden, zijn poëtische beelden en zijn vermogen om een zintuiglijke wereld uit enkel woorden te scheppen. Anderzijds is er het ongemakkelijke gevoel als een ramptoerist vrijblijvend door andermans psychische puinhopen te slenteren. Tonio is een lofzang en een wanhoopskreet over de enige zoon van Van der Heijden. Op eerste pinksterdag 2010 werd de toen 21-jarige Tonio in Amsterdam door een auto geschept, hij zou nooit meer bij bewustzijn komen.

  Van der Heijden neemt ons mee op de lijdensweg die hij en zijn vrouw aflegden vanaf het moment dat een agent aan de deur de woorden ‘kritieke toestand’ in de mond neemt, tot het moment waarop de met slangen doorprikte Tonio op de intensive care van zijn beademing wordt losgekoppeld. Hierna doet Van der Heijden het enige wat hij nog kan: hij begint te schrijven. Hij wil alsnog doen waar hij tijdens het leven van zijn zoon blijkbaar in heeft gefaald: zorgen voor Tonio. Wat volgt is een pijnlijk helder relaas van een jongensleven, waarbij de schrijver tot de onaangename ontdekking komt dat de dood niet alleen de toekomst, maar ook het verleden heeft verwoest: ‘De ooit zo zuivere herinneringen worden met terugwerkende kracht verklikkers van de dood.’

Een huiveringwekkende roman.

(Deze recensie is oorspronkelijk verschenen in Medisch Contact)